Bij besluit van 3 november 2005 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland ambtshalve de ernst en urgentie vastgesteld van bodemverontreiniging op het buitendijkse gebied van IJsseldijk 235 tot 333, een zogeheten zelling van circa 5,7 hectare met ongeveer 150 percelen.
Verzoeker, eigenaar en bewoner van een perceel binnen dit gebied, betoogt dat op zijn perceel slechts lichte bovengrondverontreiniging is vastgesteld en dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging dat voldoet aan de wettelijke eisen van technische, organisatorische en ruimtelijke samenhang. Verweerder stelt dat de verontreiniging als één geval moet worden beschouwd vanwege de samenhang en de aard van de verontreiniging.
De Voorzitter overweegt dat de beoordeling van de vraag of het besluit terecht is genomen nader onderzoek vergt en dat de voorlopige voorziening niet geschikt is om deze beoordeling te beslechten. Tevens is niet aannemelijk dat verzoeker de bodemprocedure niet kan afwachten. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan op 10 februari 2006 door de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.