ECLI:NL:RVS:2006:AV1804
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- J.A.W. Huijben
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank en niet-ontvankelijkheid bezwaar aanleg tennisbaan Blaricum
Het college van burgemeester en wethouders van Blaricum verleende op 17 december 2002 een vergunning aan appellant voor het aanleggen van een tennisbaan. Tegen dit besluit maakte een derde partij bezwaar, maar dit bezwaar werd ingediend na de wettelijke termijn van zes weken. Het college herzag het besluit en weigerde alsnog de vergunning. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond.
Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De kern van het geschil betrof de overschrijding van de bezwaartermijn door de derde partij. De Raad oordeelde dat de overschrijding niet verschoonbaar was, omdat de mededeling over een verlengde termijn pas na afloop van de termijn was gedaan en geen andere omstandigheden waren aangevoerd die het verzuim konden rechtvaardigen.
De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het bezwaar van de derde partij niet-ontvankelijk. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant. Deze uitspraak trad in de plaats van het vernietigde besluit van het college.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de aanlegvergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.