Uitspraak
200505397/1, ter zitting behandeld op 3 februari 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.H.M. van den Eertwegh, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
200505397/1het hoger beroep van Ongoemij B.V. tegen de uitspraak van de rechtbank met betrekking tot het gehandhaafde aanwijzingsbesluit ongegrond geacht en die uitspraak bevestigd. Daarmee staat in rechte vast dat het college bevoegd was het pand [locatie] aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument en hiertoe in redelijkheid heeft kunnen overgaan. Derhalve was ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar in de onderhavige zaak en is ook thans voor het slopen van het pand ingevolge artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van de Monumentenverordening een monumentenvergunning vereist. Een dergelijke vergunning is niet verleend en is, naar ter zitting door appellant is bevestigd, in afwachting van verdere ontwikkelingen evenmin aangevraagd, zodat hieromtrent ook geen beslissing kan worden genomen. Uit het vorenstaande volgt dat de dwingend voorgeschreven weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8.1.6, aanhef en onder c, van de bouwverordening zich te dezen voordeed en voordoet en de sloopvergunning derhalve moest en moet worden geweigerd. De rechtbank is dan ook met juistheid tot het oordeel gekomen dat het college ten onrechte de beslissing op de aanvraag van appellant om sloopvergunning heeft aangehouden en in plaats daarvan die aanvraag had moeten afwijzen. De rechtbank heeft derhalve terecht met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de sloopvergunning voor het pand [locatie] geweigerd.