ECLI:NL:RVS:2006:AV2231

Raad van State

Datum uitspraak
22 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200505199/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 WROArt. 19a WRO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering verklaring van geen bezwaar voor uitbreiding bedrijfsruimte wegens strijd met goede ruimtelijke ordening

Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant weigerde op 27 januari 2004 een verklaring van geen bezwaar voor het bouwen van een aan- en bijgebouw bij een hoveniersbedrijf, omdat het bouwplan mogelijk voor andere doeleinden dan opgegeven zou worden gebruikt. De rechtbank 's-Hertogenbosch verklaarde het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond. Appellant stelde dat het college buiten het toetsingskader was getreden en dat het bouwplan niet voor andere doeleinden zou worden gebruikt.

De Raad van State overwoog dat het college terecht het provinciale streekplan als toetsingskader hanteerde en dat het beoogd gebruik van het bouwwerk meeweegt in de beoordeling. Het college mocht aannemen dat het bouwwerk mede voor bewoning zou worden gebruikt, wat niet is toegestaan binnen het bestemmingsplan en het streekplan. De rechtbank heeft dit oordeel met juistheid bevestigd.

Het hoger beroep van appellant faalt en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van gedeputeerde staten om de verklaring van geen bezwaar af te geven wegens strijd met de goede ruimtelijke ordening.

Uitspraak

200505199/1.
Datum uitspraak: 22 februari 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak no. 04/2427 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 29 april 2005 in het geding tussen:
appellant
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 27 januari 2004 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) geweigerd een verklaring van geen bezwaar, ten behoeve van het bouwen van een aan- en bijgebouw aan een bedrijfsruimte/kantoor op het perceel de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel), af te geven.
Bij besluit van 6 juli 2004 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 april 2005, verzonden op 4 mei 2005, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 15 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 juli 2005. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 10 augustus 2005 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 februari 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door A.J. Vos, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Het project waarvoor de verklaring van geen bezwaar is gevraagd, ziet op het bouwen van een aan- en bijgebouw bij een kantoor-/bedrijfspand van een hoveniersbedrijf. Ten behoeve hiervan zal de bruto-vloeroppervlakte van het reeds bestaande kantoor-/bedrijfspand worden vergroot van 387 m² tot 483 m².
2.2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied West" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Agrarisch kernrandgebied met landschappelijke waarden". Ter plaatse van het perceel is geen bouwblok aangegeven. Niet in geschil is dat bij gebreke aan een bouwblok het bestemmingsplan aan realisering van het project in de weg staat.
2.3.    Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.
Ingevolge artikel 19a, achtste lid, vierde volzin, van de WRO kunnen gedeputeerde staten de verklaring weigeren wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening.
2.4.    Het college heeft bij zijn beoordeling van de aanvraag om een verklaring van geen bezwaar het provinciale beleid gehanteerd zoals dat is verwoord in het Streekplan van de provincie Noord-Brabant van 2002 "Brabant in Balans" (hierna: het streekplan). In het streekplan is bepaald dat agrarisch verwante bedrijven thuishoren in de kernrandzone, bij voorkeur op een voormalige agrarische bedrijfslocatie. Voorts is bepaald dat bestaande agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven, alsmede paardenhouderijen, een uitbreidingsruimte krijgen van maximaal 25% van het in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingsvlak, of maximaal 25% van de volgens het bestemmingsplan of verleende vrijstellingen toegestane bebouwingsoppervlakte. Onweersproken is dat het bouwplan wat omvang betreft valt binnen de in het streekplan opgenomen uitbreidingsmogelijkheid.
2.4.1.    Tevens heeft het college het bouwplan inhoudelijk beoordeeld. Hierbij heeft het zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan, althans een deel ervan, voor andere doeleinden zal worden gebruikt dan in de aanvraag is aangegeven, te weten bewoning. Op grond hiervan heeft het college de gevraagde verklaring van geen bezwaar geweigerd, welke weigering in bezwaar is gehandhaafd.
2.5.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij de beoordeling van de gevraagde verklaring van geen bezwaar buiten het voorgeschreven toetsingskader is getreden. Hij stelt dat het college zich had dienen te beperken tot de concreet in het streekplan opgenomen criteria en overigens het bouwplan slechts marginaal had mogen toetsen.
Dit betoog faalt. Ingevolge het in artikel 19a, achtste lid, vierde volzin, van de WRO verwoorde toetsingskader van het college komt, bij de beoordeling van de vraag of een aanvraag om een verklaring van geen bezwaar in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, tevens betekenis toe aan het beoogd gebruik van een bouwwerk. Dat het kennelijk beoogd gebruik afwijkt van het opgegeven gebruik maakt dit niet anders. Derhalve valt niet in te zien dat het college, door te toetsen of het bouwwerk zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan het opgegeven gebruik, is getreden buiten het in artikel 19a, achtste lid, vierde volzin, van de WRO verwoorde toetsingskader.
2.6.    Appellant betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwwerk voor een ander doel zal worden gebruikt dan is opgegeven. Appellant stelt hiertoe dat de bouwkundige inrichting in relatie tot de omvang van het bedrijf niet de conclusie rechtvaardigt dat sprake is van "overruimte" die voor bewoning zal worden gebruikt.
Dit betoog treft geen doel. Vast staat dat appellant, in strijd met het bestemmingsplan, de reeds aanwezige kantoorruimte bewoont en de intentie heeft bewoning op het perceel ook na realisatie van het onderhavige bouwplan voort te zetten. Voorts staat vast dat de ter plaatse aanwezige woonruimte na realisatie van het bouwplan verloren zal gaan. Nu het streekplan geen ruimte biedt voor verdere uitbreiding van enige bebouwing op het perceel en ook het oprichten van een bedrijfswoning op het perceel uitsluit, heeft het college terecht geoordeeld dat het bouwwerk, of althans een deel ervan, gebruikt zal worden voor andere doeleinden dan het opgegeven gebruik als kantoor. Evenzo terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat het college op basis van de inrichting en de omvang van de beoogde uitbreiding zoals deze blijkt uit de ingediende bouwtekening, in relatie tot de aard van de bedrijfsactiviteiten en het aantal personeelsleden dat op appellants bedrijf aanwezig is, redelijkerwijs het standpunt heeft kunnen innemen dat het beoogde bouwwerk mede zal worden opgericht met het oog op een ander gebruik. De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat het college de gevraagde verklaring van geen bezwaar in redelijkheid heeft kunnen weigeren.
2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.
w.g. Bijloos    w.g. Steinebach-de Wit
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2006
328-503.