ECLI:NL:RVS:2006:AV2252
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- S.W. Schortinghuis
- Rechtspraak.nl
Vernietiging bouwvergunning voor tijdelijk woongebouw wegens onvoldoende waarborg tijdelijkheid
Het college van burgemeester en wethouders van Ede verleende op 30 juni 2004 een vrijstelling en bouwvergunning voor de bouw van een niet permanent woongebouw voor dak- en thuislozen op een perceel te Ede, voor een termijn van drie jaar. Appellanten, waaronder de Initiatiefvereniging Peppelensteeg, stelden bezwaar en beroep in tegen dit besluit, dat door de rechtbank Arnhem werd afgewezen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat appellanten niet als belanghebbenden konden worden aangemerkt omdat zij geen zicht hadden op het perceel en onvoldoende belang hadden. Wel stelde de Afdeling vast dat het bouwplan in strijd was met het bestemmingsplan "Peppelensteeggebied" dat recreatieve doeleinden voorschreef. Het college had op grond van artikel 17 WRO Pro en artikel 45 Woningwet Pro een tijdelijke vrijstelling verleend.
De Afdeling overwoog dat artikel 17 WRO Pro ook tijdelijke afwijking van de bestemming toestaat, maar dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de vereiste tijdelijkheid voldoende was gewaarborgd. Concrete, objectieve gegevens die de tijdelijke aard van het bouwwerk bevestigen ontbraken. De huurovereenkomst, subsidiebeschikking en het beheersconvenant boden onvoldoende zekerheid omdat verlenging mogelijk was en een definitieve locatie nog onderzocht werd.
Daarom kon het college niet op grond van artikel 17 WRO Pro vrijstelling en bouwvergunning verlenen. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college, en gelastte vergoeding van griffierecht aan appellanten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van het college wordt vernietigd wegens onvoldoende waarborg voor de tijdelijkheid van het bouwwerk.