ECLI:NL:RVS:2006:AV2268
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- W. Konijnenbelt
- M.W.L. Simons-Vinckx
- S.F.M. Wortmann
- Rechtspraak.nl
Vergunning voor biologische opfokgeitenhouderij niet onterecht verleend ondanks bezwaren over stankhinder en inrichting
Verweerder verleende op 14 juni 2005 een vergunning voor een biologische opfokgeitenhouderij op een perceel te [plaats]. Appellante sub 1 en appellant sub 2 stelden beroep in tegen dit besluit, met bezwaren over de samenvoeging van inrichtingen, onjuiste milieubeoordelingen en onaanvaardbare stankhinder.
De Raad van State oordeelde dat het beroep van appellant sub 2 niet-ontvankelijk was voor het punt dat sprake zou zijn van één inrichting met een andere locatie, omdat deze bedenking niet tijdig was ingebracht. De overige bezwaren van appellanten werden inhoudelijk beoordeeld. De Raad stelde vast dat de vergunning beoordeeld moest worden aan de hand van het recht dat gold vóór 1 december 2005, en dat verweerder een zekere beoordelingsvrijheid had.
De Raad verwierp de stelling dat de milieubeoordeling onjuist was, en oordeelde dat de gehanteerde afstandsnorm van 50 meter voor stankhinder redelijk was, mede omdat de opfokgeiten extensief werden gehouden. Ook werd geoordeeld dat de cumulatieve stankhinder niet op grond van de Regeling stankemissie hoefde te worden beoordeeld, omdat die regeling niet van toepassing was op het gebied en de dieren. De beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellant sub 2 is deels niet-ontvankelijk verklaard en beide beroepen zijn voor het overige ongegrond verklaard, waarmee de vergunning is bevestigd.