ECLI:NL:RVS:2006:AV2933
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.M. Boll
- J.R. Schaafsma
- J.A.M. van Angeren
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vergunning veehouderij wegens strijd met rechtszekerheidsbeginsel en onvoldoende motivering
Bij besluit van 12 april 2005 verleende het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven een milieuvergunning voor een loonwerkersbedrijf en veehouderij. Appellanten stelden beroep in tegen dit besluit, met name gericht op geluidnormen en stankhinder. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het beroep niet-ontvankelijk was voor zover het betrekking had op het Besluit luchtkwaliteit en de Ecologische Hoofdstructuur.
De Afdeling beoordeelde vervolgens de geluidnormen en stelde vast dat de vergunninggever zich redelijkerwijs op de geldende richtwaarden uit de Handreiking industrielawaai had gebaseerd. Ten aanzien van de stankhinder stelde de Afdeling vast dat de vergunningvoorschriften onduidelijk waren over het aantal dieren dat gehouden mocht worden binnen de overgangsperiode, waardoor het rechtszekerheidsbeginsel werd geschonden. Tevens was onvoldoende gemotiveerd waarom niet binnen een jaar aan de vereiste afstandscriteria werd voldaan.
Gezien het belang van het stankaspect voor de vergunningverlening werd het gehele besluit vernietigd. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellanten. De uitspraak benadrukt het belang van duidelijke voorschriften en een deugdelijke motivering bij milieuvergunningen.
Uitkomst: Het besluit tot vergunningverlening wordt vernietigd wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en onvoldoende motivering.