ECLI:NL:RVS:2006:AV2954

Raad van State

Datum uitspraak
24 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200600642/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Schikking
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
  • F.B. van der Maesen de Sombreff
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.1 Wet milieubeheerArt. 11 Afvalstoffenverordening gemeente MeerssenArt. 4:82 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:81 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen afwijzing vergunning inzameling textiel gemeente Meerssen

Verzoeker, een rechtspersoon gevestigd te Geulle, heeft bij besluit van 22 december 2005 een vergunningverzoek voor het inzamelen van textiel ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Meerssen. Dit verzoek is afgewezen door het hoofd van de afdeling Bouwen en Milieu namens de gemeente. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg vervolgens bij de rechtbank Maastricht om een voorlopige voorziening, die werd doorgezonden naar de Raad van State.

De Raad van State behandelde het verzoek op 14 februari 2006. Verzoeker stelde dat het besluit onbevoegd was genomen omdat er geen rechtsgeldige grondslag was voor het hoofd van de afdeling om namens het college te beslissen. Dit werd erkend door verweerder, waardoor het besluit onbevoegd werd geacht. Daarnaast betoogde verzoeker dat het ingezamelde textiel geen afvalstof zou zijn omdat er voor het textiel wordt betaald.

De Raad van State oordeelde dat het textiel afkomstig is van particuliere huishoudens die zich ervan ontdoen door het aan een sorteerbedrijf te leveren, waar het wordt gesorteerd in herbruikbaar, ander gebruik en onbruikbaar textiel. Dit betekent dat het textiel als afvalstof in de zin van de Wet milieubeheer moet worden beschouwd, ongeacht het feit dat er voor het textiel wordt betaald. De Raad constateerde tevens dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd omdat niet duidelijk was of het beleid waarop werd verwezen als beleidsregel was vastgesteld.

Gelet op deze overwegingen schorst de Raad van State het bestreden besluit en veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Meerssen tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de inzamelvergunning voor textiel wordt geschorst en de gemeente Meerssen wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

200600642/1.
Datum uitspraak: 24 februari 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
de rechtspersoon naar buitenlands recht "Kleding Hergebruik Centrum Nederland Limited", gevestigd te Geulle, gemeente Meerssen,
verzoeker,
en
het college van burgemeester en wethouders van Meerssen,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 22 december 2005, verzonden op 23 december 2005, heeft het hoofd van de afdeling Bouwen en Milieu namens verweerder het verzoek van verzoeker om een vergunning voor het inzamelen van textiel afgewezen.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.
Bij brief van 9 januari 2006, bij de rechtbank Maastricht ingekomen op 10 januari 2006, heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank heeft het verzoek doorgezonden naar de Raad van State, waar het op 20 januari 2006 is ingekomen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 februari 2006, waar verzoeker, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door drs. R.L.M. Baltesen en W. Minkes, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Verzoeker heeft betoogd dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen.
Blijkens de stukken is het besluit namens verweerder genomen en ondertekend door het hoofd van de afdeling Bouwen en Milieu. Ter zitting heeft verweerder erkend dat er geen rechtsgeldige grondslag was namens hem een beslissing te nemen op het verzoek om vergunning. Gelet hierop is het bestreden besluit onbevoegd genomen.
2.2.    Verzoeker heeft verder onder meer gesteld dat geen vergunning nodig is aangezien het in te zamelen textiel niet kan worden aangemerkt als afvalstof. Hij wijst er in dat verband op dat voor het textiel wordt betaald.
2.2.1.    Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening van de gemeente Meerssen (tweede versie) is het verboden zonder inzamelvergunning van het college huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen.
Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder afvalstoffen verstaan: alle stoffen, preparaten of andere producten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.
2.2.2.    Uit het verhandelde ter zitting blijkt dat het textiel afkomstig is van particuliere huishoudens en na inzameling aan een sorteerbedrijf wordt geleverd. Daar wordt het gesorteerd naar, zo moet worden aangenomen, textiel dat kan worden hergebruikt, textiel dat nog geschikt is voor ander gebruik en textiel dat onbruikbaar is. Aldus moet worden aangenomen dat het ingezamelde textiel weliswaar al dan niet na bewerking voor een deel overeenkomstig de oorspronkelijke bestemming kan worden hergebruikt, maar dat tevens een deel slechts geschikt is voor ander gebruik en een deel onbruikbaar is. Verder wordt het door de particuliere huishoudens ongesorteerd aangeboden. In deze feiten en omstandigheden ligt een voldoende aanwijzing besloten dat de particuliere huishoudens zich van het textiel ontdoen in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Daarom is naar het oordeel van de Voorzitter sprake van afvalstoffen, als bedoeld in die bepaling. Dat verzoeker betaalt voor het textiel maakt dit niet anders.
2.3.    Omtrent het betoog van verzoeker dat sprake is van een motiveringsgebrek overweegt de Voorzitter dat ter motivering van het besluit met name wordt gewezen op bepaald beleid. Niet is gebleken of dit beleid is neergelegd in een beleidsregel en derhalve of ter motivering van het besluit, ingevolge artikel 4:82 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, kon worden volstaan met een verwijzing naar dit beleid.
2.4.    Gelet op het bovenstaande ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.
2.5.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Meerssen van 22 december 2005, kenmerk 2005/8845;
II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Meerssen tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Meerssen aan verzoeker onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
III.    gelast dat de gemeente Meerssen aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.
w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. Van der Maesen de Sombreff
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2006
190-446.