ECLI:NL:RVS:2006:AV2969

Raad van State

Datum uitspraak
1 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200503680/1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 lid 1 WROArt. 19 lid 3 WROArt. 4 lid 10 voorontwerp bestemmingsplanArt. 2.5.5 Bouwverordening gemeente Haarlemmermeer 2003
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering vrijstelling en bouwvergunning voor erfafscheiding in strijd met bestemmingsplan

Het geschil betreft de weigering van het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer om aan appellant vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een erfafscheiding van 1,85 meter hoog ter vervanging van een bestaande erfafscheiding van 1,20 meter. Het perceel heeft de bestemming 'Agrarische Doeleinden I' volgens het bestemmingsplan, en het plaatsen van de erfafscheiding is in strijd met deze bestemming.

Appellant stelde dat het college uit rechtszekerheid had moeten toestaan dat de nieuwe erfafscheiding werd geplaatst, omdat de bestaande erfafscheiding ook was toegestaan. De rechtbank en de Raad van State oordeelden echter dat een zelfstandige beoordeling van het bouwplan noodzakelijk was, waarbij alle belangen moeten worden afgewogen.

Verder betoogde appellant dat het college de weigering niet mocht baseren op strijd met het voorontwerp van het bestemmingsplan, omdat dit nog niet ter inzage lag en er geen zienswijzen konden worden ingediend. Dit verweer werd niet in beroep naar voren gebracht en kon daarom niet worden gehonoreerd.

De Raad van State bevestigde dat de erfafscheiding in de voortuin is geplaatst, conform de bouwverordening en het voorontwerp, waar een maximale hoogte van 1 meter geldt voor erfafscheidingen in de voortuin. De erfafscheiding van appellant van 1,85 meter is daarmee in strijd met het voorontwerp. Het college heeft de weigering tot vrijstelling en bouwvergunning dan ook terecht gehandhaafd.

Tot slot werd vastgesteld dat het college in vergelijkbare gevallen geen vrijstelling heeft verleend en dat het niet optreden tegen andere ten onrechte opgerichte erfafscheidingen niet relevant is voor de beslissing. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van vrijstelling en bouwvergunning bevestigd.

Uitspraak

200503680/1.
Datum uitspraak: 1 maart 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1311 van de rechtbank Haarlem van 18 maart 2005 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 22 december 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: het college), voor zover thans van belang, geweigerd aan appellant vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een erfafscheiding op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).
Bij besluit van 27 mei 2004 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 maart 2005, verzonden op 22 maart 2005, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 27 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 23 mei 2005. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 28 juni 2005 heeft het college van antwoord gediend.
Bij brief van 9 november 2005 heeft appellant een nadere reactie ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 januari 2006, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. H. Revet, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Het geschil heeft betrekking op de weigering om krachtens artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling te verlenen voor het plaatsen van een erfafscheiding met een hoogte van 1,85 meter ter vervanging van een bestaande erfafscheiding, die 1,20 meter hoog is.
2.2.    Op het perceel rust ingevolge het als bestemmingsplan geldende "Algemeen uitbreidingsplan 1958, 3e wijziging" de bestemming "Agrarische Doeleinden I". De woonbebouwing ter plaatse is opgericht met toepassing van een vrijstelling, verleend krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO. Niet in geschil is dat het plaatsen van de erfafscheiding in strijd is met de bestemming.
2.3.    Anders dan appellant betoogt, heeft de enkele omstandigheid dat de nieuwe erfafscheiding dient ter vervanging van de bestaande erfafscheiding, waarvoor vrijstelling en bouwvergunning zijn verleend, de rechtbank terecht niet tot het oordeel geleid dat het college uit een oogpunt van rechtszekerheid gehouden was ook voor de nieuwe erfafscheiding vrijstelling en bouwvergunning te verlenen. Voor het bouwplan, ten behoeve waarvan om verlening van vrijstelling is verzocht, was een zelfstandige beoordeling vereist, waarbij alle betrokken belangen dienden te worden afgewogen.
2.4.    Het betoog dat het college aan de weigering niet ten grondslag mocht leggen dat het bouwplan niet met het voorontwerp van het bestemmingsplan "Hoofddorp Toolenburg" (hierna: het voorontwerp) strookt, nu dat nog niet ter inzage is gelegd en belanghebbenden daarop derhalve nog geen zienswijze hebben kunnen indienen, heeft appellant niet in beroep naar voren gebracht. Gesteld noch gebleken is dat hij daartoe niet in staat was. Nu de rechtbank zich daarover aldus niet heeft kunnen uitlaten, kan het aangevoerde geen grond opleveren om de aangevallen uitspraak te vernietigen.
2.5.    Appellant betoogt voorts dat de rechtbank, door te overwegen dat  het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling te verlenen, nu de erfafscheiding, gelet op haar hoogte en situering in de voortuin, in strijd is met de voorschriften van het voorontwerp, heeft miskend dat de erfafscheiding niet in de voortuin ligt en van strijd met het voorontwerp daarom geen sprake is.
2.5.1.    Ingevolge artikel 4, tiende lid, van het voorontwerp mag de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedragen dan 3 meter, met dien verstande dat ten aanzien van erf- of terreinafscheidingen een maximum geldt van 2 meter in de achtertuin en 1 meter in de voortuin.
Ingevolge artikel 2.5.5, aanhef en onder a, van de Bouwverordening gemeente Haarlemmermeer 2003 (hierna: de bouwverordening) is de voorgevelrooilijn langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft.
2.5.2.    De term voortuin wordt niet nader omschreven in de voorschriften van het voorontwerp. Voor de beantwoording van de vraag of de tuin, waarin de erfafscheiding is voorzien, als voortuin moet worden aangemerkt heeft het college aansluiting gezocht bij het bepaalde in de bouwverordening ten aanzien van de voorgevelrooilijn. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat tuinen, gelegen vóór de voorgevelrooilijn, moeten worden aangemerkt als voortuin. De rechtbank heeft dit terecht niet onjuist geacht.
Gezien het bepaalde in artikel 2.5.5, aanhef en onder a, van de bouwverordening heeft de rechtbank voorts met juistheid ten aanzien van het hoekhuis van appellant twee voorgevelrooilijnen aanwezig geacht. Nu de tuin, waarin de erfafscheiding is voorzien vóór een van de voorgevelrooilijnen is gelegen, heeft het college deze terecht als voortuin aangemerkt.
De erfafscheiding is dan ook in strijd met het voorontwerp. Nu in het voorontwerp de recente stedenbouwkundige visie van het college is neergelegd, heeft de rechtbank in het aangevoerde terecht geen grond gevonden om te oordelen dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om de gevraagde vrijstelling te verlenen.
Het betoog van appellant dat de rechtbank de tuin ten onrechte als groenvoorziening, als bedoeld in het voorontwerp, heeft aangemerkt, doet, wat daar ook van zij, aan de strijd met het voorontwerp niet af en leidt derhalve niet tot een ander oordeel.
2.6.    De rechtbank heeft ten slotte terecht overwogen dat alleen voor situaties waarin ná 1 januari 2003 bouwvergunning is aangevraagd en verleend voor het plaatsen van erfafscheidingen op percelen die vergelijkbaar zijn met dat van appellant sprake is van gelijke gevallen, nu voor het oprichten van de erfafscheiding die appellant wenst vóór die datum geen  bouwvergunning vereist was.
Gesteld noch gebleken is dat het college in gelijke of vergelijkbare gevallen wel vrijstelling en bouwvergunning heeft verleend. Dat het college, naar appellant stelt, niet tegen andere ten onrechte opgerichte erfafscheidingen is opgetreden, heeft, wat daar ook van zij, voor de weigering vrijstelling te verlenen niet de betekenis die appellant daaraan gehecht wil zien.
2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb    w.g. Steinebach-de Wit
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2006
328-457.