Uitspraak
200106059/1, in het kader van de beroepen tegen dat goedkeuringsbesluit, concludeert de Voorzitter dat de voorliggende planregeling wat betreft de afstand tussen de paardenhouderij en de woningbouwlocatie niet leidt tot een ongunstigere situatie voor verzoekers dan de regeling die in de vorige procedure aan de orde was. Gelet hierop is de Voorzitter er niet op voorhand van overtuigd dat de voorziene nieuwbouw een belemmering vormt voor de exploitatie van de paardenhouderij. Evenmin acht hij aannemelijk gemaakt dat het plan met zich brengt dat de door verzoekers bedoelde sloot niet volgens de daarvoor geldende eisen kan worden onderhouden. Wat betreft het rooien van het aanwezige bos overweegt hij dat dit ook onder de vorige planregeling was voorzien en dat de herplant elders voldoende aannemelijk is gemaakt. Op grond van deze overwegingen verwacht de Voorzitter niet dat in de bodemprocedure het besluit van verweerder op deze punten vernietigd zal worden.