AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning atelier met geluid- en visuele hinder
Bij besluit van 20 december 2005 verleende het college van burgemeester en wethouders van Scheemda een vergunning voor het oprichten en in werking hebben van een atelier met metaal- en houtbewerking, een uurwerkklok, smidsvuur en uitstookoven aan een locatie in Scheemda. Dit besluit werd ter inzage gelegd op 29 december 2005.
Verzoekers, wonend op enkele kilometers afstand, stelden beroep in tegen dit besluit en verzochten om een voorlopige voorziening. De Voorzitter behandelde het verzoek op 28 februari 2006. De Voorzitter oordeelde dat de verzoekers niet aannemelijk konden maken dat zij rechtstreeks milieugevolgen ondervinden en daarom niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt. Hierdoor was het beroep voor deze verzoekers niet-ontvankelijk.
Daarnaast werd geoordeeld dat de overige verzoekers geen zienswijzen over visuele hinder hadden ingebracht, waardoor ook hun beroep voor dat onderdeel niet-ontvankelijk zou zijn. Ten aanzien van geluidhinder door de uurwerkklok stelde de vergunninghouder dat deze niet zou slaan zolang de geluidbeperkende voorzieningen niet waren aangebracht. De Voorzitter achtte het spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening niet aanwezig en wees het verzoek af.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan op 13 maart 2006 door de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning werd afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en niet-ontvankelijkheid van verzoekers.
Uitspraak
200601041/2.
Datum uitspraak: 13 maart 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekers], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Scheemda,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 20 december 2005 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning, als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet milieubeheer, verleend voor het oprichten en in werking hebben van een atelier (metaal- en houtbewerking), een uurwerkklok, smidsvuur en een uitstookoven, gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 29 december 2005 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 3 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 7 februari 2006, beroep ingesteld.
Bij deze brief hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 februari 2006, waar verzoekers, van wie [gemachtigde] in persoon en de overige verzoekers vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door ing. G. Kor, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet - met uitzondering van een besluit ten aanzien waarvan op grond van deze wet een andere beroepsgang is opengesteld - of een van de in het derde lid bedoelde wetten of wettelijke bepalingen beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2.3. Blijkens de stukken wonen verzoekers [namen 3 verzoekers] in respectievelijk Midwolda en 't Waar, op een afstand van verscheidene kilometers van de inrichting. De Voorzitter acht het dan ook niet aannemelijk dat deze verzoekers rechtstreeks milieugevolgen van het bestreden besluit ondervinden.
De Voorzitter gaat er gezien het voorgaande van uit dat de Afdeling in de bodemprocedure in deze zaak zal oordelen dat voormelde verzoekers niet zijn aan te merken als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 vanPro de Algemene wet bestuursrecht, zodat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
De Voorzitter ziet hierin aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening, voor zover dat is gedaan door [namen 3 verzoekers], af te wijzen.
2.4. Ingevolge artikel 6:13 vanPro de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naarPro voren heeft gebracht.
2.5. De overige verzoekers hebben de grond dat zij visuele hinder ondervinden niet als zienswijze over het ontwerp van het besluit naar voren gebracht. De Voorzitter is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan deze verzoekers redelijkerwijs niet kan worden verweten geen zienswijze over het onderdeel visuele hinder van het ontwerp van het besluit naar voren te hebben gebracht.
De Voorzitter gaat er gezien het voorgaande van uit dat de Afdeling in de bodemprocedure het beroep, voor zover het is ingesteld door de overige verzoekers, in zoverre niet-ontvankelijk zal verklaren.
Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening, voor zover dat is gedaan door de overige verzoekers, voor zover dat verzoek ziet op de gestelde visuele hinder, af te wijzen.
2.6. De overige verzoekers stellen voorts onder meer dat zij vanwege de inrichting geluidhinder vrezen door het laten slaan van de uurwerkklok van het atelier.
2.7. Verweerder heeft bij het opstellen van de geluidvoorschriften aansluiting gezocht bij de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. De omgeving is getypeerd als rustige woonomgeving. Uit de bij de aanvraag gevoegde notitie van WNP raadgevende ingenieurs, no. 4051224.N02, blijkt volgens verweerder dat de geluidbelasting van de inrichting, waaronder de uurwerkklok, aan de gestelde geluidgrenswaarden kan voldoen, wanneer de maatregel zoals voorgeschreven in voorschrift 7.5 wordt getroffen.
2.7.1. Ter beperking van geluidhinder heeft verweerder onder meer de volgende voorschriften aan de vergunning verbonden.
Voorschrift 7.4 bepaalt dat de uurwerkklok uitsluitend op de hele en halve uren mag slaan in de periode vanaf 7.00 uur tot en met 19.00 uur.
Voorschrift 7.1, voor zover hier van belang, stelt voor deze periode voor het equivalente geluidsniveau en het piekgeluidniveau, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, hieronder mede begrepen de uurwerkklok, een grenswaarde van respectievelijk 45 dB(A) en 70 dB(A).
Voorschrift 7.5 bepaalt dat de klokkentoren aan de voor- en rechterzijde dient te zijn voorzien van een glas of plexiglas paneel met een isolatiewaarde van 25 - 35 dB voor reductie van de tonen van de klok.
2.7.2. Vergunninghouder heeft bij brief, ingekomen bij de Afdeling op 22 februari 2006, gesteld dat hij de uurwerkklok niet laat slaan zolang de ingevolge voorschrift 7.5 aan te brengen voorzieningen door hem nog niet zijn aangebracht. Ter zitting hebben verzoekers en verweerder bevestigd dat de uurwerkklok op dit moment niet slaat.
Gezien de stukken en het verhandelde ter zitting, is de Voorzitter van oordeel dat met het verzoek in zoverre geen spoedeisend belang is gemoeid dat het treffen van de verzochte voorziening rechtvaardigt.
2.8. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.