Uitspraak
200500196/1, ter ondersteuning van zijn standpunt dat dat wel zo is, gaat niet zonder meer op, nu niet op voorhand vast staat dat de in die uitspraak aan de orde zijnde situatie geheel op één lijn is te stellen met het voorliggende geval.
Raad van State
De Minister van Buitenlandse Zaken had besloten om slechts gedeeltelijk informatie openbaar te maken die ten grondslag lag aan een individueel ambtsbericht in een asielprocedure. De wederpartij had bezwaar gemaakt tegen deze weigering, waarna de rechtbank Zwolle-Lelystad het beroep van de wederpartij deels gegrond verklaarde en de beslissing van de Minister vernietigde.
De Minister stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat hij aan de uitspraak van de rechtbank uitvoering moest geven zolang het hoger beroep loopt. De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak heeft dit verzoek behandeld en overwogen dat het hoger beroep geen schorsende werking heeft en dat het verzoek tot voorlopige voorziening onvoldoende gewichtige belangen bevat om af te wijken van deze hoofdregel.
De Voorzitter vond dat het oordeel van de rechtbank niet op voorhand onjuist was en dat het opnieuw beslissen op bezwaar niet noodzakelijkerwijs tot openbaarmaking hoeft te leiden. Tevens werd meegewogen dat de Minister ruim twee maanden na de uitspraak van de rechtbank pas een verzoek tot voorlopige voorziening had ingediend.
Ten slotte werd vastgesteld dat de bodemzaak versneld zal worden behandeld en dat de Minister tijdig een nieuwe beslissing op bezwaar zal nemen. De Voorzitter wees het verzoek af en veroordeelde de Minister tot vergoeding van proceskosten aan de wederpartij.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de Minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.