ECLI:NL:RVS:2006:AV7523

Raad van State

Datum uitspraak
29 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200509026/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R.J. Hoekstra
  • H.A. Bultema
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:1 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid Raad van State bij bezwaar tegen niet tijdig beslissen op verzoek wijziging landinrichtingsplan

Appellanten maakten bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op hun verzoek tot wijziging van het landinrichtingsplan voor de herinrichting IJsselmonde. Verweerder had het verzoek doorgestuurd naar de landinrichtingscommissie voor advies, wat appellanten als een schriftelijke weigering tot besluitvorming beschouwden.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat de mededeling van verweerder geen publiekrechtelijke rechtshandeling is en dus geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht vormt. Ook is de mededeling niet gelijk te stellen aan een schriftelijke weigering een besluit te nemen zoals bedoeld in artikel 6:2 Awb Pro.

Daarom is de Afdeling onbevoegd om van het beroep kennis te nemen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer op 29 maart 2006.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek tot wijziging van het landinrichtingsplan.

Uitspraak

200509026/1.
Datum uitspraak: 29 maart 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellanten], gevestigd te [plaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij brief van 14 juni 2005 hebben appellanten bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen door verweerder van een beslissing op hun verzoek, gedaan bij brief van 31 maart 2005 en herhaald bij brief van 12 mei 2005, tot wijziging van het landinrichtingsplan voor de herinrichting IJsselmonde (hierna: het landinrichtingsplan).
Bij brief van 23 juni 2005 heeft verweerder meegedeeld het verzoek van 12 mei 2005 voor advies te hebben toegezonden aan de landinrichtingscommissie voor de herinrichting IJsselmonde (hierna: de landinrichtingscommissie).
Tegen deze mededeling hebben appellanten bij brief van 4 augustus 2005, bij de rechtbank Den Haag ingekomen op 8 augustus 2005, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 augustus 2005.
Bij brief van 20 september 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De rechtbank Den Haag heeft de stukken doorgezonden aan de Raad van State.
De landinrichtingscommissie is als partij bij het geding aangemerkt.
Bij brief van 6 februari 2006 heeft de landinrichtingscommissie nadere stukken ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 maart 2006, waar verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.J. van der Gouw, advocaat te Den Haag, en mr. E. Arbman, ambtenaar van de provincie, is verschenen.
Voorts is als partij gehoord de landinrichtingscommissie, vertegenwoordigd door mr. C.T. Ploeger, ir. A.W. Sleeking en P. Muns.
Appellanten zijn met bericht van verhindering niet verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte een inhoudelijke beoordeling van hun bezwaren achterwege heeft gelaten. Zij voeren aan dat de brief van verweerder van 23 juni 2005 moet worden aangemerkt als een schriftelijke weigering om te beslissen op bezwaar als bedoeld in artikel 6:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
2.2.    Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de brief van 23 juni 2005 slechts kan worden aangemerkt als een mededeling dat het verzoek tot wijziging van het landinrichtingsplan zal worden doorgeleid naar de landinrichtingscommissie. Volgens hem bevat de brief van 23 juni 2005 daarom geen beslissing op bezwaar.
2.3.    Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een belanghebbende beroep instellen tegen een besluit.
Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep in te stellen eerst tegen dat besluit bezwaar te maken.
2.4.    De Afdeling overweegt dat de mededeling van toezending van een aanvraag aan een ander bestuursorgaan ter advisering geen publiekrechtelijke rechtshandeling vormt en derhalve geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht behelst. De mededeling van toezending kan evenmin worden aangemerkt als een op grond van artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht met een besluit gelijk te stellen schriftelijke weigering een besluit te nemen.
2.5.    De Afdeling is onbevoegd om van dit beroep kennis te nemen.
2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart zich onbevoegd van het beroep kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Bultema, ambtenaar van Staat.
w.g. Hoekstra    w.g. Bultema
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2006
400.