Uitspraak
200306226/1, waarnaar appellante ter zitting heeft verwezen, blijkt in dit geval uit de aanvraag om vergunning dat het twee rijen boven elkaar gelegen kooien betreft met een verhoogde mestgoot en dat de hoger gelegen kooilaag toegankelijk is vanuit de onderste kooilaag. Vergunninghouder heeft ter zitting betoogd dat in de praktijk blijkt dat nertsen in klauterkooien veelal op dezelfde plek mesten als nertsen in conventionele kooien, derhalve in de onderste kooi, en dat ook bij het eventuele mesten in de bovenste kooi de mest wordt opgevangen in de mestgoot. Verweerder heeft voorts in voorschrift D.2.2 bepaald dat onder de mestdeponeerplaats een mestgoot van roestvast staal of kunststof aanwezig dient te zijn, dat de mestgoot een rond profiel moet hebben met een breedte van 30-40 cm en dat in de mestgoot een schuif aanwezig moet zijn, waarmee mest, urine en eventuele voedselresten uit de mestgoot kunnen worden verwijderd. In voorschrift D.2.5 is bepaald dat de in de mestgoot gevallen voedselresten, mest en urine tweemaal per dag door middel van de mestschuif worden afgevoerd naar een gesloten mestopslag of gesloten container. Gezien de stukken en hetgeen ter zitting door partijen naar voren is gebracht alsmede de door verweerder aan het bestreden besluit verbonden voorschriften, acht de Afdeling voldoende aannemelijk dat in het onderhavige geval van een afwijkende mesthuishouding geen sprake is. Verweerder heeft derhalve terecht de emissiefactor van 0,25 kg NH3 gehanteerd voor de berekening van de ammoniakemissie. De beroepsgrond treft geen doel.