ECLI:NL:RVS:2006:AW2288
Raad van State
- Hoger beroep
- P. van Dijk
- R.R. Winter
- S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bouwvergunning wegens niet-aanvang bouwwerkzaamheden
Het college van burgemeester en wethouders van Boxtel heeft op 25 juni 2003 de bouwvergunning van 22 september 1992 ingetrokken omdat binnen de in de bouwverordening gestelde termijn van 26 weken na onherroepelijkheid geen aanvang is gemaakt met de bouwwerkzaamheden voor een woonhuis met garage, werktuigenloods en stallen.
Appellant voerde aan dat het woonhuis samen met een landbouwschuur en kassen voor een sierteelt-/boomkwekerijbedrijf gerealiseerd zou worden, waardoor intrekking onredelijk zou zijn. De rechtbank en de Raad van State oordeelden dat het college bevoegd was tot intrekking, omdat geen aannemelijke aanwijzingen bestonden dat met de bouw alsnog zou worden begonnen.
Daarnaast was de bouwvergunning onder de voorwaarde verleend dat de woning pas gebouwd mocht worden nadat de bedrijfsgebouwen waren gestart, wat niet zou gebeuren. Ook is het plan in strijd met het gewijzigde planologisch regime dat een maximuminhoud van 600 m³ voor de bedrijfswoning voorschrijft. De aanwezigheid van bergruimte, wasruimte en kantoorruimte in het gebouw kon dit oordeel niet wijzigen.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de intrekking van de bouwvergunning wegens niet-aanvang van bouwwerkzaamheden binnen de gestelde termijn.