Uitspraak
200307198/1, voortvloeiende verplichting om met inachtneming van die uitspraak opnieuw op het bezwaar van appellant te beslissen. De vernietiging van het besluit van 27 mei 2003 bij die uitspraak vindt uitsluitend haar grondslag in het oordeel dat het standpunt van het college dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand, onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd. De overige hoger beroepsgronden van appellant, zoals zijn betoog dat het bouwplan niet voldoet aan het Bouwbesluit, zijn daarbij uitdrukkelijk verworpen. In de beroepsgronden van appellant die neerkomen op een herhaling van de bij de voormelde uitspraak van 14 juli 2004 verworpen hoger beroepsgronden, heeft de rechtbank dan ook terecht geen aanleiding gezien tot vernietiging van het besluit van 2 november 2004.