Uitspraak
200102400/1(BR 2002, 1044), waaruit blijkt dat het in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet neergelegde verbod om te bouwen zonder vergunning van burgemeester en wethouders zich uitsluitend richt tot de bouwer.
200410438/1heeft de Afdeling geoordeeld dat degene die opdracht heeft gegeven tot de bouw als overtreder moet worden aangemerkt. Uit de door appellanten genoemde uitspraken van de Afdeling volgt niet dat zij niet als overtreders van het verbod van artikel 40 van Pro de Woningwet kunnen worden aangemerkt. Weliswaar wordt in deze uitspraken overwogen dat het in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet neergelegde verbod om te bouwen zonder vergunning van burgemeester en wethouders zich uitsluitend richt tot de bouwer, maar dit wil niet zeggen dat als bouwer uitsluitend diegene moet worden verstaan die daadwerkelijk zelf heeft gebouwd. Ook degene die een opdracht heeft gegeven tot de bouw behoort hieronder te worden begrepen. Zoals eerder door de Afdeling is overwogen, onder meer in de uitspraak van 3 juli 2002, no.
200102807/1(AB 2002, 311), dient de opdrachtgever te worden beschouwd als eindverantwoordelijke in juridische zin. Als overtreder van het voorschrift moet worden aangemerkt diegene die het te handhaven voorschrift daadwerkelijk heeft geschonden en die het in zijn macht heeft om aan de illegale situatie een eind te maken. Nu uit de in de stukken aanwezige koopovereenkomsten en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de opdracht tot het plaatsen van de bergingen aan appellanten kan worden toegeschreven en niet is gebleken dat zij niet in staat zouden zijn die bergingen te (doen) verwijderen, is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat appellanten in hun hoedanigheid van opdrachtgever kunnen worden aangemerkt als overtreder van het verbod van artikel 40, eerste lid, van de Woningwet en dat zij het in hun macht hebben de hen opgelegde last uit te voeren.