ECLI:NL:RVS:2006:AW7371

Raad van State

Datum uitspraak
3 mei 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200507039/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • P. van Dijk
  • P. Klein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toegang tot historische aangiften van diefstal op basis van de Archiefwet 1995

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van een appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, die zijn verzoek om verstrekking van kopieën van door hem gedane aangiften van diefstal in de periode van 1961 tot mei 1969 had afgewezen. Het college van burgemeester en wethouders van Goedereede had op 21 september 2004 het verzoek van de appellant om deze kopieën afgewezen, met de motivering dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden waren. De rechtbank had het beroep van de appellant ongegrond verklaard, wat leidde tot het hoger beroep bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het verzoek van de appellant een herhaald verzoek was in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad stelt vast dat het verzoek van de appellant is gebaseerd op een andere rechtsgrondslag, namelijk de Archiefwet 1995. De Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college, maar laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Dit betekent dat, hoewel het verzoek van de appellant niet op de juiste wijze is behandeld, het college terecht heeft vastgesteld dat de gevraagde stukken niet in het gemeentearchief aanwezig zijn.

De Raad van State concludeert dat het hoger beroep gegrond is en dat de eerdere beslissingen vernietigd moeten worden. De gemeente Goedereede wordt gelast om het griffierecht aan de appellant te vergoeden. De uitspraak is gedaan in naam der Koningin en is openbaar uitgesproken op 3 mei 2006.

Uitspraak

200507039/1.
Datum uitspraak: 3 mei 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak no. BESLU 05/185 van de rechtbank Rotterdam van 14 juli 2005 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Goedereede.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 21 september 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Goedereede (hierna: het college) het verzoek van appellant van 8 september 2004 om verstrekking van kopieën van door hem gedane aangiften van diefstal in de periode van 1961 tot mei 1969 afgewezen.
Bij besluit van 14 december 2004 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 14 juli 2005, verzonden op 20 juli 2005, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 augustus 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 25 augustus 2005 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 december 2005, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door R.A. Naberman, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, de aanvraag zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
2.2.    Bij brief van 14 februari 1989 aangevuld bij brief van 20 maart 1989, heeft appellant onder meer om kopieën verzocht van de correspondentie met betrekking tot door hem in de periode van 1 januari 1961 tot 1 januari 1970 bij de politie gedane aangiften van diefstal en/of vermissingen. Bij besluit van 22 mei 1989 is dit verzoek afgewezen. Daarbij is omtrent de verzochte kopieën overwogen dat deze zich niet in het gemeentearchief bevinden.
Bij brief van 28 mei 1991 heeft appellant opnieuw om afgifte van deze kopieën verzocht en zich daarbij beroepen op de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob).
In haar uitspraak van 19 april 1995 in zaak no. R03.92.0524 (aangehecht) heeft de Afdeling deze brief geduid als een tegen het besluit van 22 mei 1989 gericht bezwaar en is zij er voorts vanuit gegaan dat dit bezwaar bij besluit van 13 december 1991 ongegrond is verklaard. In voornoemde uitspraak heeft de Afdeling het beroep tegen het besluit van 13 december 1991 verworpen.
2.3.    Bij besluit van 21 september 2004 heeft het college het verzoek van 8 september 2004 afgewezen onder toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van Awb.
Beslissend op bezwaar heeft het college dit besluit in stand gelaten en daartoe overwogen dat sprake is van een eerdere afwijzing van gelijke verzoeken en dat bij het in geding zijnde verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden door appellant naar voren zijn gebracht. Dat appellant dit verzoek heeft gebaseerd op de op 1 januari 1996 in werking getreden Archiefwet 1995 kan, aldus het college, niet worden geduid als een nieuw feit. Daarbij heeft het college in aanmerking genomen dat de Archiefwet 1962 noch de Archiefwet 1995 bepalingen bevat die tot inwilliging van het verzoek van appellant kunnen leiden.
2.4.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraak van 4 april 2003, in zaak no. 200206882/1, AB 2003, 315), geldt het algemene rechtsbeginsel waaraan voor de bestuurlijke besluitvorming invulling wordt gegeven in artikel 4:6 van de Awb, volgens hetwelk niet meermalen wordt geoordeeld over eenzelfde zaak, ook de rechtspraak en kan buiten de aanwijzing van ingevolge de wet openstaande middelen eenzelfde geschil niet ten tweede male aan de rechter worden voorgelegd. De in de wet gegeven bepalingen voor het instellen van beroep verzetten zich ertegen dat door het instellen van beroep tegen het besluit op een herhaalde aanvraag wordt bereikt dat de rechter de zaak beoordeelt, als ware het beroep gericht tegen het eerdere besluit. Dit geldt ook, indien het bestuursorgaan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb niet heeft toegepast.
In aanmerking genomen dat het verzoek van 14 februari 1989 is aangemerkt als een verzoek ingevolge de Wob, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het verzoek van 8 september 2004 een herhaald verzoek is in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb, aangezien dit verzoek is gebaseerd op een andere rechtsgrondslag, te weten de Archiefwet 1995. Voorts heeft, gelet daarop, de rechtbank evenzeer miskend dat het college bij besluit van 14 december 2004 ten onrechte het besluit van 21 september  2004, waarbij het verzoek van 8 september 2004 met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb is afgewezen, heeft gehandhaafd. Zowel de aangevallen uitspraak als het besluit van 14 december 2004 komen derhalve voor vernietiging in aanmerking.
2.5.    Er is evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Ook indien het verzoek van 8 september 2004 inhoudelijk op grond van de Archiefwet 1995 zou zijn beoordeeld, bestaat er geen grond om te twijfelen aan de juistheid van de mededeling dat de desbetreffende stukken niet in het gemeentearchief zijn, nu van gemeentewege uitputtend onderzoek ter zake is verricht. Ook op de zich in het gemeentearchief bevindende lijst van vernietigde stukken komen de desbetreffende stukken niet voor. Het college heeft derhalve terecht dit verzoek niet ingewilligd.
2.6.    Gelet op het vorenstaande is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beslissing op bezwaar vernietigen wegens strijd met artikel 4:6 van de Awb en de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand laten.
2.7.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 juli 2005, in zaak no. BESLU 05/185;
III.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Goedereede van 14 december 2004, no. RN/2004/6336;
IV.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
V.    gelast dat de gemeente Goedereede aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 343,00 (zegge: driehonderddrieënveertig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Dijk    w.g. Klein
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2006
402-176.