ECLI:NL:RVS:2006:AX2083
Raad van State
- Hoger beroep
- J.E.M. Polak
- W. van den Brink
- W.D.M. van Diepenbeek
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhaving verbod detailhandel op agrarisch perceel in Helmond
Het college van burgemeester en wethouders van Helmond heeft appellant bevolen de verkoop van eigen geteelde perkplanten en aanverwante producten aan particulieren op een perceel te beëindigen, omdat deze activiteiten niet passen binnen de agrarische bestemming van het perceel. Appellant voerde bezwaar aan tegen dit besluit, maar het college verklaarde het bezwaar ongegrond. De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch bevestigde dit oordeel in een uitspraak van 8 april 2005.
Appellant stelde in hoger beroep dat het gebruik van artikel 352 van Pro de Bouwverordening 1965 als bindend onjuist was en dat de detailhandelsactiviteiten slechts een ondergeschikte nevenactiviteit waren, omdat de verkoop aan particulieren beperkt was tot ongeveer tien weken per jaar. De Raad van State oordeelde dat artikel 352 onverminderd Pro van toepassing is en dat de detailhandel een substantieel onderdeel van de bedrijfsuitoefening vormt, ongeacht de beperkte verkoopperiode.
Verder wees de Raad van State het beroep op het gelijkheidsbeginsel af, omdat een nabijgelegen tuincentrum met vrijstelling van planvoorschriften niet vergelijkbaar is en het college geen aanleiding had om af te zien van handhaving. Ook het argument dat het college in principe niet optreedt tegen verkoop van eigen geteelde producten werd verworpen, omdat hier sprake is van detailhandel die niet als ondergeschikte nevenactiviteit kan worden aangemerkt.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de voorzieningenrechter. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het college mag handhavend optreden tegen de detailhandelsactiviteiten.