ECLI:NL:RVS:2006:AX2152

Raad van State

Datum uitspraak
17 mei 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200506201/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 WROArt. 1 Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheerArt. 1 Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vrijstelling en bouwvergunning voor verbouwing boerderij tot vakantieverblijven en agrotaverne

Het college van burgemeester en wethouders van Meerssen verleende op 17 februari 2004 vrijstelling en bouwvergunning voor het vernieuwen van een gedeelte van een boerderij tot drie vakantieverblijven en een agrotaverne aan een locatie in Meerssen. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college ongegrond werd verklaard. De rechtbank Maastricht verklaarde het beroep van appellante eveneens ongegrond.

Appellante stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat haar bedrijf onder het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer viel, waardoor een te kleine stankcirkel werd gehanteerd. Dit zou leiden tot het toestaan van stankgevoelige objecten binnen de werkelijke stankcirkel. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het bedrijf van appellante, gezien het geringe aantal melkrundvee en het feit dat het bedrijf hoofdzakelijk akkerbouwproducten verbouwde, terecht onder het Besluit akkerbouwbedrijven viel.

De Afdeling stelde vast dat de vakantieverblijven en agrotaverne op meer dan 25 meter afstand van de dichtstbijzijnde veestal waren gesitueerd, conform de afstandseisen van het Besluit akkerbouwbedrijven. De rechtbank had dan ook terecht geoordeeld dat het college de vrijstelling en bouwvergunning in redelijkheid had kunnen verlenen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200506201/1.
Datum uitspraak: 17 mei 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], waarvan de vennoten zijn [vennoot 1 en 2], gevestigd te [plaats],
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1849 WRO van de rechtbank Maastricht van 6 juni 2005 in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Meerssen.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 17 februari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Meerssen (hierna: het college) vrijstelling ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en bouwvergunning verleend voor het vernieuwen en/of veranderen van een gedeelte van de boerderij tot drie vakantieverblijven en een agrotaverne/recreatieruimte aan de [locatie] te [plaats].
Bij besluit van 14 september 2004 heeft het college het door daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 6 juni 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 15 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 augustus 2005. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 6 oktober 2005 heeft het college van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 april 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door [vennoot 1], en bijgestaan door mr. A. Vinkenborg, en het college, vertegenwoordigd door drs. R.L.M. Baltesen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
Voorts zijn als partijen gehoord [partij], vertegenwoordigd door ing. H.N.J.M. Steins, en het college van gedeputeerde staten van Limburg, vertegenwoordigd door drs. C.J.H. Maes, ambtenaar van de provincie.
2.    Overwegingen
2.1.    Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 1995" rust op het in geding zijnde perceel de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden". Niet in geding is dat het bouwplan in strijd is met deze bestemming.
2.2.    Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsmogelijkheid delegeren aan het college.
2.3.    Op 7 oktober 2003 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg ten behoeve van het verlenen van de vrijstelling voor het bouwplan de vereiste verklaring van geen bezwaar afgegeven.
2.4.    Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat haar bedrijf onder de werking van het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer valt en dat daardoor is uitgegaan van een te kleine stankcirkel. Als gevolg hiervan worden volgens appellante ten onrechte stankgevoelige objecten binnen de werkelijke stankcirkel van het bedrijf mogelijk gemaakt.
2.5.    Niet in geding is dat de drie vakantieverblijven en de agrotaverne op een afstand van meer dan 25 meter van de dichtstbijzijnde veestal van het bedrijf van appellante zijn voorzien.
2.6.    Op 1 mei 1995 is de door appellante gedane melding overeenkomstig het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer geaccepteerd. Bij brief van 7 november 2000 heeft appellante te kennen gegeven de melkveehouderij te staken en door te gaan met een bedrijf dat zich bezighoudt met akkerbouw en het opfokken van jongvee. Vast staat dat het agrarische bedrijf van appellante ten tijde van de beslissing op bezwaar beschikte over 7 hectare grond, 2 melkkoeien en 30 stuks jongvee. Gelet op het geringe aantal stuks melkrundvee, waar ingevolge artikel 1, onder k, sub 1, van het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer bijbehorend vrouwelijk jongvee niet onder wordt gerekend, en het feit dat het bedrijf blijkens de stukken in hoofdzaak is bestemd voor het verbouwen van akkerbouwbouwproducten is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het bedrijf ten tijde van de beslissing op bezwaar viel onder de werking van het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer en niet onder de werking van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer. De rechtbank heeft voorts met juistheid geoordeeld dat de vakantieverblijven en de agrotaverne niet binnen de in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder a, onderdeel 2, van het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer bedoelde afstand van 25 meter worden verwezenlijkt. Of gemeten wordt vanaf de in de loods aanwezige stalwand of de grens van het bouwvlak, behorende bij het bedrijf van appellante, maakt in dit geval geen verschil.
2.7.    Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college voor het bouwplan in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen en terecht bouwvergunning heeft verleend.
2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.9.    Voor een proceskosten veroordeling bestaat geen aanleiding
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.
w.g. van Ettekoven    w.g. Neuwahl
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2006
280-459.