ECLI:NL:RVS:2006:AX6338

Raad van State

Datum uitspraak
31 mei 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200509067/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Beekhuis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Handhaving van de Wet milieubeheer inzake rottend kuilvoer

In deze zaak heeft de Raad van State op 31 mei 2006 uitspraak gedaan over een last onder dwangsom die aan appellante was opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van Veghel. De last was opgelegd wegens het in strijd met artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer op de bodem brengen van rottend kuilvoer. Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, waarbij zij betoogde dat het kuilvoer niet als afvalstof kan worden aangemerkt, omdat de productie ervan beoogd en te sturen was. De Raad van State heeft de zaak behandeld op 19 mei 2006, waarbij appellante werd vertegenwoordigd door een gemachtigde en mr. W.G. Catricum, terwijl verweerder werd vertegenwoordigd door T.J.M. Bockting, ambtenaar van de gemeente.

De Raad van State overwoog dat ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer onder afvalstoffen worden verstaan: alle stoffen waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het kuilvoer, dat op het land was gebracht omdat het niet meer geschikt was als veevoeder, moet worden aangemerkt als afvalstof. De stelling van appellante dat de productie van kuilvoer beoogd en stuurbaar was, werd verworpen, omdat het ontstaan van rottend kuilvoer niet beoogd was. De Afdeling concludeerde dat verweerder bevoegd was om handhavend op te treden en verklaarde het beroep ongegrond.

De uitspraak benadrukt de strikte handhaving van de Wet milieubeheer en de criteria voor het aanmerken van stoffen als afvalstoffen. De Raad van State heeft geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

200509067/1.
Datum uitspraak: 31 mei 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [plaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Veghel,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 28 april 2005 heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom opgelegd wegens het in strijd met artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer op de bodem brengen van rottend kuilvoer.
Bij besluit van 20 september 2005, op dezelfde dag verzonden, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar voor wat betreft de motivering gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 31 oktober 2005, bij de Raad van State op dezelfde dag per fax ingekomen, beroep ingesteld.
De gronden zijn aangevuld bij brief van 30 november 2005.
Bij brief van 27 januari 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 mei 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. W.G. Catricum, en verweerder, vertegenwoordigd door T.J.M. Bockting, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.
Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt in deze wet en de daarop rustende bepalingen onder afvalstoffen verstaan: alle stoffen, preparaten of andere producten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.
Of sprake is van een afvalstof moet worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij rekening moet worden gehouden met de doelstelling van richtlijn 75/442/EEG, terwijl ervoor moet worden gewaakt dat geen afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid daarvan (arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 15 juni 2000, Arco Chemie Nederland e.a., C-418/97 en C-419/97, AB 2000, 311).
Ingevolge artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het verboden om zich van afvalstoffen te ontdoen door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden.
2.2.    Appellante betoogt dat verweerder ten onrechte een last onder dwangsom aan haar heeft opgelegd. Zij betwist dat zich een overtreding van artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer heeft voorgedaan, aangezien het op het land gebrachte kuilvoer volgens haar niet is aan te merken als afvalstoffen als bedoeld in artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Hiertoe voert zij onder meer aan dat de productie van kuilvoer wel degelijk was beoogd en dat deze productie tevens kan worden gestuurd.
2.3.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het in de inrichting aanwezig kuilvoer is geproduceerd met het doel om als veevoeder te dienen en dat het op het land is gebracht omdat het hiervoor niet meer geschikt was. Het betreft derhalve een restproduct dat niet meer geschikt of beoogd is voor de oorspronkelijke bestemming. Dat de productie van kuilvoer beoogd en stuurbaar was, zoals appellante betoogt, maakt dit niet anders. Van belang is dat het ontstaan van rottend kuilvoer niet beoogd en stuurbaar was. In deze feiten en omstandigheden ligt naar het oordeel van de Afdeling voldoende aanwijzing besloten dat appellante zich van het kuilvoer heeft ontdaan in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het op het land gebrachte kuilvoer moet worden aangemerkt als een afvalstof in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer en dat artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer is overtreden. Verweerder was derhalve bevoegd handhavend op te treden.
2.4.    Het beroep is ongegrond.
2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.
w.g. Beekhuis    w.g. Van Hardeveld
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2006
312-493.