ECLI:NL:RVS:2006:AX9030

Raad van State

Datum uitspraak
14 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200603660/1 en 200603660/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • D.A.C. Slump
  • R.P.F. Boermans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 4:84 AwbArt. 19 WROArt. 20 Bro
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering hoger beroep tegen bouwvergunning vrijstelling voor berging

Het college van burgemeester en wethouders van Maarssen verleende op 25 januari 2006 een bouwvergunning en vrijstelling aan een vergunninghoudster voor het plaatsen van een berging op een perceel met de bestemming 'Uit te werken woongebied 1'. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde zij beroep in bij de voorzieningenrechter, die dit beroep eveneens ongegrond verklaarde.

Appellante stelde hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening. De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak behandelde het verzoek en het hoger beroep. De Voorzitter oordeelde dat nader onderzoek niet noodzakelijk was en dat onmiddellijke uitspraak in de hoofdzaak mogelijk was.

De Voorzitter overwoog dat het bouwplan voldeed aan de relevante wettelijke bepalingen en beleidsregels. Het betoog van appellante dat het vrijstellingsbeleid kennelijk onredelijk was, werd verworpen omdat behoud van vrij uitzicht en alternatieve locaties geen bijzondere omstandigheden vormden die afwijken van het vrijstellingsbeleid rechtvaardigden. Ook het argument dat de vrijstelling niet strookte met het bestemmingsplan faalde, aangezien vrijstelling juist bedoeld is om van het bestemmingsplan af te wijken.

De Voorzitter bevestigde de uitspraak van de voorzieningenrechter en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep en verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitspraak

200603660/1 en 200603660/2.
Datum uitspraak: 14 juni 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van Pro die wet, op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak nos. SBR 06/1378 en 06/1379 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 13 april 2006 in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Maarssen.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 25 januari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maarssen (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een berging op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).
Bij besluit van 1 maart 2006 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 april 2006, verzonden op die dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 17 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op die dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 17 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op die dag, heeft appellante de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juni 2006, waar appellante in persoon, bijgestaan door mr. J.A.F. Boor, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door mr. D. Goris, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, bijgestaan door mr. drs. T.A.J. Berben, advocaat te Amsterdam.
2.1.    Overwegingen
2.2.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.3.    Ingevolge het bestemmingsplan "Zandweg-Oostwaard 1e herziening" rust op het perceel de bestemming "Uit te werken woongebied 1". Een uitwerkingsplan voor dit perceel ontbreekt. Teneinde medewerking te kunnen verlenen aan het bouwplan heeft het college met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1e, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 vrijstelling verleend.
2.4.    Niet in geschil is dat het bouwplan voldoet aan de criteria van genoemde bepalingen en aan de beleidsregels in de nota "Vrijstellingenbeleid artikel 19 WRO Pro" van 24 mei 2005.
2.5.    Ingevolge artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregels tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met die beleidsregels te dienen doelen.
2.5.1.    Appellante betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat toepassing van het vrijstellingenbeleid in dit geval kennelijk onredelijk is.
2.5.2.    De voorzieningenrechter heeft in rechtsoverweging 2.6. en 2.7. van de aangevallen uitspraak terecht en op goede gronden geoordeeld dat het behoud van vrij uitzicht, noch de door appellante aangedragen alternatieve locatie voor het bouwplan, bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan van het vrijstellingenbeleid had behoren te worden afgeweken. Het betoog van appellante dat het verlenen van de vrijstelling niet strookt met de uitgangspunten van het bestemmingsplan - daargelaten of het betoog feitelijk juist is - kan evenmin als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. Met het verlenen van een vrijstelling wordt immers uitdrukkelijk beoogd van het bestemmingsplan af te wijken. Het betoog faalt derhalve.
2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7.    Gelet hierop, ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.    wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.
w.g. Slump    w.g. Boermans
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2006
429.