Uitspraak
200301816/1, is de in het streekplan "Zuid-Holland West" opgenomen concrete beleidsbeslissing ten aanzien van de zandwinningslocatie door de Afdeling vernietigd omdat verweerders de mogelijkheden om de gevolgen van het verlies aan gronden te beperken voor een betrokken agrarisch bedrijf onvoldoende hadden bezien. In de destijds door het college aangevoerde argumenten ten aanzien van de noodzaak voor zandwinning, de mogelijke aantasting van de waarden van het gebied en de gevolgen voor de te verwezenlijken ecologische verbindingszone heeft de Afdeling geen aanleiding gezien de concrete beleidsbeslissing te vernietigen. Het college heeft naar het voorlopig oordeel van de Voorzitter niet aannemelijk gemaakt dat zich op deze punten zodanige gewijzigde omstandigheden voordoen dat deze schorsing van de concrete beleidsbeslissing rechtvaardigen. Dat er volgens het college een andere en meer geschikte locatie voor zandwinning is vrijgekomen, maakt dit, daargelaten dat voor deze locatie reeds andere ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorzien, niet anders.
200503327/1, vast dat de in het streekplan als concrete beleidsbeslissing opgenomen verstedelijkingscontour de uiterste grens aangeeft van het verstedelijkte gebied. Hoe het gebied binnen een dergelijke contour wordt ingericht en of hier ook daadwerkelijk verstedelijking zal plaatsvinden dient op het niveau van een bestemmingsplan nader te worden ingevuld en dient dan ook in dat kader aan de orde te worden gesteld. Gelet op voornoemde uitspraak overweegt de Voorzitter dat het vaststellen van deze concrete beleidsbeslissing geen uitoefening van een bevoegdheid betreft die gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit. Voorts is de Voorzitter op voorhand niet gebleken dat deze concrete beleidsbeslissing in strijd is met artikel 4a, eerste lid, van de WRO. Dat verweerders de contour hebben vastgesteld ten behoeve van de vestiging van het Nationaal Automobielmuseum maakt dit niet anders en brengt niet met zich dat deze contour geen nadere invulling middels een bestemmingsplan behoeft. Evenmin is de Voorzitter voorshands gebleken dat de mogelijke waarden van het gebied en het rijks- en provinciale beleid terzake met zich brengen dat stedelijke functies ter plaatse hoe dan ook moeten worden uitgesloten.