ECLI:NL:RVS:2006:AY0370

Raad van State

Datum uitspraak
5 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200600299/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
  • J.R. Schaafsma
  • H.Ph.J.A.M. Hennekens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 3.1 WmArt. 3.2 WmArt. 10.38 WmArt. 10.39 Wm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging last onder dwangsom wegens onvoldoende motivering en nieuw beleid afvalstoffenadministratie

Bij besluit van 30 mei 2005 legde het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan SITA Recycling Services B.V. lasten onder dwangsom op wegens overtredingen van voorschriften uit de Wet milieubeheer en het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen. Verweerder handhaafde deze lasten bij besluit van 29 november 2005 ondanks aangekondigd nieuw beleid dat een bepaald percentage fouten zou toestaan.

Appellante betoogde dat het handhaven van lasten die bij elke overtreding een dwangsom opleggen in strijd is met het nieuwe beleid. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd is omdat het niet aansluit bij het aangekondigde beleid en het ontbreken van definitieve vaststelling van dat beleid geen reden is om de lasten ongewijzigd te laten.

De Afdeling verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en gelastte vergoeding van het betaalde griffierecht. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend omdat daarvoor geen aanleiding was.

Uitkomst: Het besluit tot last onder dwangsom wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en strijd met aangekondigd nieuw beleid.

Uitspraak

200600299/1.
Datum uitspraak: 5 juli 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "SITA Recycling Services B.V.", gevestigd te Arnhem,
appellante,
en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 30 mei 2005 heeft verweerder aan appellante lasten onder dwangsom opgelegd, die zien op het achterwege laten van verdere overtredingen van de aan de bij besluit van 3 december 1996 voor de inrichting op het adres Schielands Hoge Zeedijk 23 te Gouda krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning verbonden voorschriften 3.1 en 3.2, van artikel 10.38, tweede lid, van de Wet milieubeheer, van artikel 10.39, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 8 van Pro het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen en van artikel 10.40, tweede lid, van de Wet milieubeheer.
Bij besluit van 29 november 2005, verzonden op 1 december 2005, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 9 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 10 januari 2006, beroep ingesteld.
Bij brief van 13 maart 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juni 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door M.A. Toepoel, A.G. van der Eijk en ir. J.M.A.M. van Zon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.F.C. Kisters, mr. J. Spätjens, H. van de Moosselaar en A. Wijns, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Appellante voert aan dat verweerder gezien het in het bestreden besluit aangekondigde nieuwe beleid de opgelegde lasten onder dwangsom in bezwaar ten onrechte heeft gehandhaafd.
2.2.    Uit de considerans bij het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder met appellante van oordeel is dat het voor een inrichting als die van appellante ondoenlijk is de bij het bestreden besluit gehandhaafde bepalingen, die betrekking hebben op de afvalstoffenadministratie, geen enkele keer te overtreden. Verweerder geeft met het oog hierop in de considerans bij het bestreden besluit aan dat wordt gewerkt aan het formuleren van beleid met nieuw te hanteren normen dat ervan uitgaat dat een bepaald percentage van dezelfde fout in de afvalstoffenadministratie is toegestaan. Bij de controle op de naleving van de lasten onder dwangsom zal, zo heeft verweerder overwogen, het nieuwe beleid worden toegepast.
De Afdeling leidt uit het bovenstaande af dat volgens verweerder niet bij iedere overtreding een dwangsom zou moeten worden verbeurd, maar slechts indien het aantal geconstateerde overtredingen een bepaald percentage overschrijdt. Hiermee is onverenigbaar dat verweerder de lasten, die inhouden dat bij iedere overtreding een dwangsom wordt verbeurd, bij het bestreden besluit niet heeft herroepen. Voor zover verweerder in dit verband stelt dat het door hem genoemde beleid nog niet definitief is vastgesteld, doch wel als uitgangspunt gehanteerd zal worden, overweegt de Afdeling dat het ontbreken van die vaststelling op zichzelf geen reden kan vormen om de lasten die naar zijn eigen mening te ruim - en derhalve onjuist - geformuleerd zijn ongewijzigd in stand te laten.
Het bestreden besluit berust in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering.
2.3.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.
2.4.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I.    verklaart het beroep gegrond;
II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 29 november 2005, kenmerk DGWM/DMB/05/11890;
III.    gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.
w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. Van der Zijpp
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2006
262-446.