Uitspraak
200501066/1, dat de bescherming van het milieu tegen hinder die gepaard gaat met het uitoefenen van een activiteit waarop de betrokken vrijstelling ziet, een aspect betreft waarvan de beoordeling primair plaats dient te vinden in het kader van de Wet milieubeheer. In het algemeen zal slechts dan aanleiding bestaan voor het oordeel dat het bevoegde bestuursorgaan niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen, indien ernstig moet worden betwijfeld of voor de daarmee gepaard gaande activiteit een vergunning krachtens de Wet milieubeheer kan worden verleend, of dat naleving mogelijk is van regels die bij algemene maatregel van bestuur krachtens die wet zijn gesteld. In dit geval is niet aannemelijk geworden dat een dergelijke situatie zich voordoet.