ECLI:NL:RVS:2006:AY4204

Raad van State

Datum uitspraak
19 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200600406/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.R. Schaafsma
  • B.S. Jansen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.4 Wet milieubeheerArt. 8.8 Wet milieubeheerArt. 53 Wet geluidhinder
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen vergunning voor groothandel en blindengeleidehondenschool vanwege geluidhinder op industrieterrein

Bij besluit van 4 januari 2006 verleende het college van burgemeester en wethouders van Lelystad een vergunning aan een blindengeleidehondenschool voor een groothandel ten behoeve van een zwembadinrichting en de hondenschool op een perceel in Lelystad. Appellante stelde beroep in tegen deze vergunning vanwege vermeende onaanvaardbare geluidhinder door de toename van het aantal honden nabij haar bedrijfsgebouwen.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde de zaak en overwoog dat zowel de inrichting als de bedrijfsgebouwen van appellante gelegen zijn op het industrieterrein 'Oostervaart' te Lelystad, waarvoor een geluidzone is vastgesteld volgens de Wet geluidhinder. De wet stelt grenswaarden voor geluidbelasting buiten de zone en voor geluidgevoelige objecten binnen de zone, maar voorziet niet in grenswaarden voor geluidgevoelige objecten binnen het gezoneerde industrieterrein zelf.

De Afdeling oordeelde dat de geluidbelasting van geluidgevoelige objecten binnen het gezoneerde industrieterrein niet bepalend kan zijn voor de vergunningverlening. Derhalve was er geen grond voor weigering van de vergunning of het opleggen van nadere voorschriften. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de vergunningverlening wegens geluidhinder wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

200600406/1.
Datum uitspraak: 19 juli 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [plaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Lelystad,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 4 januari 2006 heeft verweerder aan [vergunninghoudster], handelend onder de naam [Blindengeleidehondenschool], een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een groothandel ten behoeve van een zwembadinrichting en een blindengeleidehondenschool op het perceel [locatie] te [plaats].
Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 11 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 13 januari 2006, beroep ingesteld.
Bij brief van 13 maart 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juni 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door A.M. Hooymans, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, bijgestaan door drs. S. Heijman.
2.    Overwegingen
2.1.    Appellante heeft betoogd dat de bij het bestreden besluit vergunde toename van het aantal honden leidt tot onaanvaardbare geluidhinder ter plaatse van haar bedrijfsgebouwen.
2.1.1.    Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting liggen zowel de inrichting als de bedrijfsgebouwen van appellante op het industrieterrein "Oostervaart" te Lelystad waarvoor krachtens artikel 53 van Pro de Wet geluidhinder een geluidzone is vastgesteld. In de Wet geluidhinder is voorzien in zonering van industrieterreinen en in waarden die voor de geluidbelasting vanwege het industrieterrein buiten de zone, en voor de geluidbelasting vanwege het industrieterrein van de gevels van woningen of andere geluidgevoelige objecten binnen de zone, als ten hoogste toelaatbaar worden aangemerkt. Ingevolge artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer dient het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag deze grenswaarden in acht te nemen.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 6 augustus 2003 in zaak no.
200206662/1, voorziet de Wet geluidhinder niet in geluidgrenswaarden die gelden voor geluidgevoelige objecten op een gezoneerd industrieterrein. De zone die rond het terrein ligt omvat niet mede het terrein zelf. De Afdeling is daarom van oordeel dat de geluidbelasting van geluidgevoelige objecten op een gezoneerd industrieterrein niet bepalend kan zijn voor de beslissing op een aanvraag om vergunning voor een inrichting op dat industrieterrein; voor dergelijke objecten gelden immers geen grenswaarden die in acht moeten worden genomen. Verweerder heeft in het betoog van appellante derhalve terecht geen aanleiding gezien voor het (gedeeltelijk) weigeren van de vergunning dan wel het stellen van nadere voorschriften.
2.2.    Het beroep is ongegrond.
2.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B.S. Jansen, ambtenaar van Staat.
w.g. Schaafsma    w.g. Jansen
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2006
399.