ECLI:NL:RVS:2006:AY4205

Raad van State

Datum uitspraak
19 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200510482/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.R. Schaafsma
  • B.S. Jansen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar nadere eis horecagelegenheid

Appellanten, Stichting Chez Bé Bé en Mañana B.V., hebben bezwaar gemaakt tegen een brief van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht waarin werd medegedeeld dat abusievelijk was vermeld dat een nadere eis was gesteld voor een horecagelegenheid op het perceel Ina Boudier Bakkerlaan 153 te Utrecht.

Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief van 7 januari 2005 geen besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bevatte, maar slechts een rectificatie van een eerdere brief. Appellanten voerden aan dat de brief wel rechtsgevolg had omdat zij niet op de hoogte waren van een nadere eis.

De Raad van State oordeelde dat de brief geen publiekrechtelijke rechtshandeling is en bevestigde daarmee de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar is ongegrond verklaard.

Uitspraak

200510482/1.
Datum uitspraak: 19 juli 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
de stichting "Stichting Chez Bé Bé" en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Mañana B.V.", elk gevestigd te Utrecht,
appellanten,
en
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij brief van 7 januari 2005 heeft verweerder medegedeeld dat in zijn brief van 7 december 2004 abusievelijk is vermeld dat bij schrijven van 24 november 2004 een nadere eis voor de horecagelegenheid op het perceel Ina Boudier Bakkerlaan 153 te Utrecht is gesteld.
Bij besluit van 9 mei 2005, verzonden op 17 mei 2005, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 27 juni 2005 bij de rechtbank Utrecht beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 25 juli 2005.
Bij brief van 6 september 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Het beroep is met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden naar de Afdeling.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juni 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door R. Pieterson, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M. Pieffers en H.R.M. Ekelschot, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
2.2.    Appellanten hebben zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Daartoe hebben appellanten aangevoerd dat de brief van verweerder van 7 januari 2005 is gericht op rechtsgevolg, nu zij niet op de hoogte waren van een nadere eis.
2.2.1.    Blijkens de stukken is voor de onderhavige inrichting bij besluit van 26 oktober 2001 een nadere eis gesteld. Bij brief van 7 januari 2005 heeft verweerder uitsluitend medegedeeld dat in zijn brief van 7 december 2004 abusievelijk een andere datum voor dat besluit staat vermeld. De brief van 7 januari 2005 behelst naar het oordeel van de Afdeling geen publiekrechtelijke rechtshandeling als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder heeft het tegen deze brief gemaakte bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.
2.3.    Het beroep is ongegrond.
2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B.S. Jansen, ambtenaar van Staat.
w.g. Schaafsma    w.g. Jansen
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2006
399.