ECLI:NL:RVS:2006:AY4224

Raad van State

Datum uitspraak
13 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200604282/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • D.A.C. Slump
  • J.H. Roelfsema
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 19 lid 2 WRO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen bouwvergunning voor hostel in strijd met bestemmingsplan

Het college van burgemeester en wethouders van Maastricht verleende op 17 oktober 2005 een vrijstelling en bouwvergunning aan Stichting NJHC Beheer voor het verbouwen en uitbreiden van een pand ten behoeve van een hostel. Verzoekster maakte bezwaar tegen deze vergunning, dat door het college werd afgewezen. Ook de voorzieningenrechter verklaarde het beroep van verzoekster ongegrond.

Verzoekster stelde vervolgens een verzoek om voorlopige voorziening in bij de Raad van State, dat op 13 juli 2006 werd behandeld. De Voorzitter oordeelde dat het verzoek een voorlopig karakter heeft en niet bindend is voor de bodemprocedure. De formele aspecten van de procedure zullen in de bodemprocedure worden beoordeeld.

Hoewel het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan 'Maas en Jeker', oordeelde de Voorzitter dat het college terecht een vrijstelling kon verlenen op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Het hostel kan als horecabedrijf worden aangemerkt, en er is geen sprake van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau.

Gezien deze omstandigheden is geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek wordt daarom afgewezen zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de bouwvergunning voor het hostel wordt afgewezen.

Uitspraak

200604282/2.
Datum uitspraak: 13 juli 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoekster], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/958 en 06/959 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht van 28 april 2006 in het geding tussen:
verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van Maastricht.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 17 oktober 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (hierna: het college) aan Stichting NJHC Beheer (hierna: NJHC) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het verbouwen en uitbreiden van het pand op het perceel gelegen Maasboulevard 101 ten behoeve van de vestiging van een hostel.
Bij besluit van 21 maart 2006 heeft het college het daartegen door verzoekster gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 april 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht, voor zover thans van belang, het daartegen door verzoekster ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoekster bij brief van 9 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld.
Bij deze brief heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verzoekster.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 juli 2006, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. drs. H.M.G. Duijsters, advocaat te Maastricht, en [vader] en [partner] van verzoekster, en het college, vertegenwoordigd door mr. D.A. Nymeijer-Hildering en mr. E.H.J. Verheijden, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.
Voorts is als partij gehoord NJHC, vertegenwoordigd door [directeur].
2.    Overwegingen
2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2.    Beantwoording van de door verzoekster opgeworpen vragen ten aanzien van de formele aspecten van de procedure zal in de bodemprocedure moeten geschieden. Ten aanzien van de vraag of in afwachting daarvan aanleiding bestaat tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, wordt als volgt overwogen.
2.3.    In hetgeen verzoekster naar voren heeft gebracht is geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de vrijstelling en de bouwvergunning niet mochten worden verleend. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen.
2.4.    Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met de ingevolge het geldende bestemmingsplan "Maas en Jeker" ter plaatse rustende bestemming "gemengde doeleinden" met als nadere aanduiding "horecadoeleinden restaurant (HR)". Het geschil spitst zich toe op de vraag of het college voor het bouwplan een vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) heeft kunnen verlenen.
Ingevolge artikel A, eerste lid, onder a, van lijst van gevallen als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO, van het college van Gedeputeerde Staten van Limburg (hierna: de lijst), zoals die ten tijde van de beslissing op bezwaar gold, kan, voor zover thans van belang, vrijstelling worden verleend voor het bouwen van horecabedrijven. De Voorzitter ziet geen grond voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het in het bouwplan voorziene hostel als een horecabedrijf kan worden aangemerkt. Nu in de lijst niet nader is bepaald wat onder horecabedrijven moet worden verstaan heeft het college voor de uitleg van dit begrip kunnen aansluiten bij het normale spraakgebruik. Anders dan verzoekster betoogt is bij de uitleg van het begrip horecabedrijf als bedoeld in de lijst niet beslissend wat in het bestemmingsplan onder horeca wordt verstaan.
Voorts is, anders dan verzoekster betoogt, niet aannemelijk dat als gevolg van de realisatie van het bouwplan een duurzame ontwrichting van het ter plaatse geldende voorzieningenniveau zal plaatsvinden. Dat een zekere mate van concurrentie zal ontstaan is geen reden om aan te nemen dat sprake zal zijn van een zodanige ontwrichting, mede gelet op hetgeen ter zitting door het college naar voren is gebracht omtrent het bestaande tekort aan aanbod van overnachtingen in het lage segment in Maastricht.
2.5.    Onder die omstandigheden en gelet op de betrokken belangen bestaat geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorziening. Derhalve dient het verzoek te worden afgewezen.
2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.
w.g. Slump    w.g. Roelfsema
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2006
444.