ECLI:NL:RVS:2006:AY5516
Raad van State
- Hoger beroep
- B. van Wagtendonk
- A.W.M. Bijloos
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bestuurlijke boete wegens arbeid zonder tewerkstellingsvergunning van Poolse werknemers
Appellante kreeg een bestuurlijke boete opgelegd wegens het laten verrichten van verbouwings- en renovatiewerkzaamheden door zeven Poolse werknemers zonder tewerkstellingsvergunning. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij de Raad van State.
Appellante voerde aan dat geen vergunning vereist was omdat de werkzaamheden waren uitgevoerd door een Poolse vennootschap met eigen werknemers, en dat het eisen van een vergunning in strijd was met het EG-recht. De Raad van State overwoog dat Nederland op grond van de overgangsregeling in Bijlage XII bij de Toetredingsakte Polen de vergunningplicht mag handhaven gedurende de eerste twee jaren na toetreding.
De Raad van State stelde vast dat appellante onvoldoende bewijs leverde voor de stelling dat de Poolse vennootschap zelf de werkzaamheden uitvoerde en dat de werknemers niet tot de Nederlandse arbeidsmarkt waren toegetreden. De vergunningplicht is een toegestane maatregel om de toegang tot de arbeidsmarkt te reguleren.
Verder faalde het betoog dat appellante geen werkgever zou zijn in de zin van de Wav, aangezien feitelijk arbeid laten verrichten vergunningplichtig is, ongeacht een hiërarchische gezagsverhouding. Het verzoek tot matiging van de boete werd niet behandeld omdat dit niet in hoger beroep was aangevoerd.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bestuurlijke boete wordt bevestigd.