ECLI:NL:RVS:2006:AY5918

Raad van State

Datum uitspraak
9 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200508291/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 bestemmingsplan BuitenwijkenArt. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake bouwvergunning parkeergarage Huizen

Het college van burgemeester en wethouders van Huizen verleende op 15 oktober 2002 een bouwvergunning voor het bouwen van een parkeergarage op het perceel Amersfoortsestraatweg 180 te Huizen. Diverse partijen maakten bezwaar tegen deze vergunning, dat door het college grotendeels ongegrond werd verklaard. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van deze partijen gegrond en vernietigde het besluit op bezwaar, waarna het college een nieuwe beslissing nam die het bezwaar wederom ongegrond verklaarde.

De appellanten stelden hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het bestemmingsplan artikel 4, tweede lid, onder a, niet ziet op het oprichten van een parkeergarage en dat het college daarom niet hoefde te motiveren dat de parkeergarage hiermee in overeenstemming was. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen het besluit op bezwaar ongegrond.

De Afdeling vernietigde tevens het besluit van 21 april 2006, omdat dit besluit zijn grondslag had verloren door de vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 9 augustus 2006 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het beroep tegen het besluit op bezwaar wordt ongegrond verklaard, waarbij de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.

Uitspraak

200508291/1.
Datum uitspraak: 9 augustus 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
1. de stichting "Stichting Novum" en
2. de stichting "Visio Landelijke Stichting Slechtzienden en Blinden",
beide gevestigd te Huizen,
appellanten,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 03/3887 van de rechtbank Amsterdam van 12 augustus 2005 in het geding tussen:
1. [wederpartij sub 1],
2. [wederpartij sub 2],
3. [wederpartij sub 3],
4. [wederpartij sub 4],
5. [wederpartij sub 5],
6. [wederpartij sub 6],
7. [wederpartij sub 7],
8. [wederpartij sub 8],
9. De Buurtpreventievereniging WaakSaam,
wonend dan wel gevestigd te Huizen
en
het college van burgemeester en wethouders van Huizen.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 15 oktober 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Huizen (hierna: het college) aan appellante sub 1 bouwvergunning verleend voor het bouwen van een parkeergarage op het perceel Amersfoortsestraatweg 180 te Huizen (hierna: het perceel).
Bij besluit van 14 juli 2003 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar, voor zover gemaakt door [wederpartij sub 5, sub 6, sub 7 en sub 8] niet-ontvankelijk verklaard. Voor het overige heeft het college dit bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 augustus 2005, verzonden op 18 augustus 2005, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank), voor zover hier van belang, het beroep daartegen, voor zover ingesteld door [wederpartij sub 1, , J.C. sub 2, sub 3, , sub 4] en de Buurtpreventievereniging WaakSaam (hierna: [wederpartij sub 1 en anderen]), gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd, voor zover daarbij het bezwaar van [wederpartij sub 1 en anderen]   ongegrond is verklaard en bepaald dat het college binnen zes weken na verzending van die uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar, voor zover gemaakt door [wederpartij sub 1 en anderen], neemt. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 28 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 29 september 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 oktober 2005. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 1 december 2005 heeft het college van antwoord gediend.
Belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.
Bij besluit van 21 april 2006 heeft het college, voor zover hier van belang, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, het bezwaar, gemaakt door [wederpartij sub 1 en anderen], onder aanvulling van de motivering, wederom ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij brief van 23 mei 2006 hebben appellanten, daartoe door de Afdeling in de gelegenheid gesteld, hierop een schriftelijke reactie ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. D.S.P. Fransen, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Het college is, met kennisgeving, niet verschenen. Voorts zijn [wederpartij sub 1], de Buurtpreventievereniging WaakSaam en [wederpartij sub 5], vertegenwoordigd door [wederpartij sub 7], verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Het bouwplan betreft het oprichten van een parkeergarage (hierna: de parkeergarage) met een bruto-vloeroppervlakte van 5458,5 m² op het perceel.
2.2.    Ingevolge artikel 4, tweede lid, onder a, van de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitenwijken" (hierna: het bestemmingsplan) dient bij de in de artikelen 5 tot en met 10 genoemde functies bij iedere hieronder genoemde vergroting of een gedeelte daarvan één parkeerplaats gereserveerd te worden.
Functie                        Vergroting
woningen                    1 woning of wooneenheid
praktijkruimten                20 m² vloeroppervlakte
kantoren                        50 m² bedrijfsvloeroppervlakte
bedrijven                        50 m² bedrijfsvloeroppervlakte
instellingen en openbare gebouwen    50 m² bedrijfsvloeroppervlakte
kampeerterrein                1 kampeermiddel/ recreatiewoning
2.3.    Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat in de beslissing op bezwaar onvoldoende gemotiveerd is dat de onderhavige parkeergarage in overeenstemming is met artikel 4, tweede lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan.
2.3.1.    Artikel 4, tweede lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan ziet niet op het oprichten van een parkeergarage, nu dit niet het vergroten van bebouwing ten behoeve van één van de in dat artikellid genoemde functies betreft. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, behoefde het college dan ook niet nader te motiveren of het oprichten van een parkeergarage in overeenstemming is met dit artikellid. Het betoog slaagt.
2.4.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover het door [wederpartij sub 1 en anderen] ingestelde beroep gegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Afdeling het door [wederpartij sub 1 en anderen] ingestelde beroep tegen het besluit van 14 juli 2003 gezien het vorenoverwogene ongegrond.
2.5.    Het college heeft, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, bij besluit van 21 april 2006, opnieuw op het bezwaar, gemaakt door [wederpartij sub 1 en anderen], beslist. Dit besluit wordt ingevolge de artikelen 6:18, eerste lid en 6:19, eerste lid, in samenhang met artikel 6:24 van Pro de Awb, geacht eveneens onderwerp te zijn van het geding.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan de Afdeling slechts tot het oordeel komen dat aan dat besluit, voor zover dat is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, de grondslag is komen te ontvallen. Om die reden zal de Afdeling dat besluit, voor zover daarbij het bezwaar van [wederpartij sub 1 en anderen]  , gericht tegen de verleende bouwvergunning voor het bouwen van een parkeergarage op het perceel ongegrond is verklaard, vernietigen.
2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I.    verklaart het door appellanten ingestelde hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 augustus 2005, AWB 03/3887, voor zover het door [wederpartij sub 1, sub 2, sub 3, sub 4] en de Buurtpreventievereniging WaakSaam ingestelde beroep gegrond is verklaard;
III.    verklaart het bij de rechtbank door [wederpartij sub 1, sub 2, sub 3, sub 4] en de Buurtpreventievereniging WaakSaam ingestelde beroep tegen het besluit van 14 juli 2003, kenmerk res/wvs/20261, ongegrond;
IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Huizen van 21 april 2006.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Angeren    w.g. Schortinghuis
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2006
66-499.