ECLI:NL:RVS:2006:AY6328

Raad van State

Datum uitspraak
16 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200601726/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • J.H. van Kreveld
  • Ch.W. Mouton
  • H. Borstlap
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20.1 Wet milieubeheerArt. 6:15 AwbAlgemene wet bestuursrechtWet milieubeheer
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid Raad van State bij beroep tegen handhaving activiteiten boomgaard fruitteeltbedrijf

Bij besluit van 15 februari 2005 wees het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem een verzoek af om bestuurlijke handhavingsmiddelen toe te passen op een fruitteeltbedrijf. Het verzoek betrof zowel het bedrijfsterrein als de boomgaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat alleen het bedrijfsterrein als inrichting onder de Wet milieubeheer valt, niet de boomgaard.

Appellante richtte haar beroep uitsluitend tegen het deel van het besluit dat betrekking had op de boomgaard. De Raad van State stelde vast dat zij op grond van artikel 20.1 van de Wet milieubeheer slechts bevoegd is in eerste aanleg kennis te nemen van beroepen die betrekking hebben op handhaving van milieuregels voor inrichtingen. Omdat de boomgaard geen inrichting is, is de Afdeling niet bevoegd.

Het beroep werd daarom doorgezonden naar de rechtbank Maastricht. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en het betaalde griffierecht wordt terugbetaald. De uitspraak werd gedaan op 16 augustus 2006 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep en zendt het door naar de rechtbank Maastricht.

Uitspraak

200601726/1.
Datum uitspraak: 16 augustus 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
de vereniging "Grachtstraat-Oost te Eys", gevestigd te Gulpen-Wittem,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 15 februari 2005 heeft verweerder een verzoek afgewezen om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot een fruitteeltbedrijf van [de maatschap], gelegen aan de [locatie] te Eys, gemeente Gulpen-Wittem.
Bij besluit van 22 november 2005, verzonden op 24 november 2005, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 22 december 2005, na doorzending door de rechtbank Maastricht bij de Raad van State ingekomen op 2 maart 2006, beroep ingesteld.
Bij brief van 25 januari 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juli 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door drs. W.F.A.M. Naber, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.M.A.J. Heijnens-Ackermans en R.J.G. Arninkhof, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de maatschap, vertegenwoordigd door mr. J.F.C.M. Mulders en [gemachtigde].
2.    Overwegingen
2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.
2.2.    Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, (oud) van de Wet milieubeheer kan, voor zover hier van belang, tegen een besluit op grond van deze wet beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Uit deze bepaling volgt, voor zover voor dit geding van belang, dat de Afdeling slechts bevoegd is om in eerste aanleg kennis te nemen van een beroep indien dat betrekking heeft op handhaving van de bij of krachtens de Wet milieubeheer gestelde regels.
2.3.    De maatschap exploiteert een fruitteeltbedrijf. Het bij het besluit van 15 februari 2005 afgewezen verzoek om handhaving'smaatregelen te treffen heeft enerzijds betrekking op (de staat van onderhoud van) het bedrijfsterrein, en anderzijds op de werkzaamheden in de bij het bedrijf behorende boomgaard.
Niet in geschil is dat op het bedrijfsterrein een inrichting is gevestigd als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer waarvoor de bij of krachtens de Wet milieubeheer gestelde regels gelden. De fruitboomgaard is geen onderdeel van deze inrichting, zoals onder meer volgt uit hetgeen de Afdeling in de uitspraak van 28 januari 2004 in zaak no.
200305506/1heeft overwogen. Voor de boomgaard gelden de bij of krachtens de Wet milieubeheer voor inrichtingen gestelde regels dan ook niet.
Het besluit van 15 februari 2005, en de beslissing op het daartegen gemaakte bezwaar, hebben dan ook alleen betrekking op handhaving van het bij of krachtens de Wet milieubeheer bepaalde voor zover het handhavingsverzoek is gericht op de activiteiten op het bedrijfsterrein, en niet voor zover het de activiteiten in de boomgaard betreft.
2.4.    Appellante heeft ter zitting verklaard dat haar beroep uitsluitend is gericht tegen de bij het bestreden besluit gehandhaafde afwijzing van het verzoek om op te treden met betrekking tot de activiteiten in de boomgaard. Gezien het voorgaande is de Afdeling niet bevoegd in eerste aanleg kennis te nemen van dit geschil. Het beroepschrift zal met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden doorgezonden naar de rechtbank Maastricht.
2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
2.6.    Het voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht zal door de Secretaris van de Raad van State aan appellante worden terugbetaald.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart zich onbevoegd van het beroep kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Kreveld    w.g. Van der Zijpp
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2006
262-415.