ECLI:NL:RVS:2006:AY7157

Raad van State

Datum uitspraak
25 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200604167/3
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • K. Brink
  • F.T.T. van der Heijde
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:87 AwbWet milieubeheerInrichtingen- en vergunningenbesluit
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot opheffing voorlopige voorziening in milieuzaken

Bij uitspraak van 24 juli 2006 werd een voorlopige voorziening getroffen waarbij het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Harlingen van 11 mei 2006 werd geschorst. Verzoekster, Ecopark Harlingen Holding B.V., verzocht vervolgens om opheffing of wijziging van deze voorziening. Tijdens de zitting op 22 augustus 2006 werden de partijen gehoord, waaronder verzoekster en het college van burgemeester en wethouders.

De Voorzitter overwoog dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat rekening is gehouden met de wijzigingen in de Wet milieubeheer en het Inrichtingen- en vergunningenbesluit per 1 december 2005. Verzoekster stelde dat de juiste toetsing wel had plaatsgevonden en dat er een zwaarwegend belang bestond bij opheffing vanwege stilstand van bouwwerkzaamheden en uitstel van bestellingen.

Desondanks oordeelde de Voorzitter dat het verzoek geen nieuwe feiten of omstandigheden bevat die het opheffen of wijzigen van de voorlopige voorziening rechtvaardigen. De behandeling van de bodemprocedure werd vastgesteld op 3 oktober 2006. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en het verzoek werd afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van de voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten.

Uitspraak

200604167/3.
Datum uitspraak: 25 augustus 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Ecopark Harlingen Holding B.V.", gevestigd te Sexbierum,
verzoekster,
om opheffing of wijziging (artikel 8:87 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) van de bij uitspraak van 24 juli 2006, in zaak no.
200604167/2, getroffen voorlopige voorziening in het geding tussen:
1.    [verzoeker sub 1], wonend te [woonplaats],
2.    [verzoekers sub 2], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Harlingen,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij uitspraak van 24 juli 2006, in zaak no.
200604167/2, heeft de Voorzitter bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van verweerder van 11 mei 2006 geschorst. De uitspraak is aangehecht.
Bij brief van 31 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 1 augustus 2006, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht deze voorlopige voorziening op te heffen of te wijzigen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 augustus 2006, waar [verzoeker sub 1], vertegenwoordigd door mr. W. Sleijfer, advocaat te Leeuwarden, en [verzoekers sub 2] in persoon en bijgestaan door mr. C.E. Bos, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.J.L. Kremer, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    In de uitspraak van 24 juli 2006 heeft de Voorzitter naar aanleiding van hetgeen [verzoekers sub 2] hadden aangevoerd onder meer overwogen dat hij uit de considerans van het bestreden besluit niet kan opmaken dat verweerder acht heeft geslagen op de wijzigingen van de Wet milieubeheer en het Inrichtingen- en vergunningenbesluit per 1 december 2005, dat de vraag of het juiste beoordelingskader is gehanteerd een nader onderzoek vergt en dat eerst de Afdeling hier een oordeel over zal kunnen geven.
2.2.    In haar verzoek om opheffing van de voorlopige voorziening voert verzoekster aan dat uit het verweerschrift van 24 juli 2006 in de bodemprocedure blijkt dat verweerder getoetst heeft overeenkomstig het per 1 december 2005 gewijzigde beoordelingskader. Voorts merkt zij op dat uit het beroepschrift van [verzoekers sub 2] niet blijkt dat deze toetsing niet zou hebben plaatsgevonden. Volgens verzoekster bestaat een zwaarwegend belang bij de verzochte opheffing, omdat als gevolg van de getroffen voorziening reeds in gang gezette bouwwerkzaamheden niet kunnen worden uitgevoerd en bestellingen dienen te worden uitgesteld.
2.3.    Het verzoekschrift en het ter zitting aangevoerde bevat naar het oordeel van de Voorzitter geen nieuwe feiten of omstandigheden die zouden kunnen leiden tot het opheffen dan wel wijzigen van de getroffen voorlopige voorziening, die steunt dat eerst de Afdeling hierover een oordeel kan geven.
Gelet hierop ziet de Voorzitter geen aanleiding het verzoek om toepassing van 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht toe te wijzen. Overigens zal de behandeling van het geding in de bodemprocedure, gelet op de betrokken belangen, plaatsvinden op de zitting van 3 oktober 2006.
2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.T.T. van der Heijde, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink    w.g. Van der Heijde
Voorzitter   ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2006
349.