ECLI:NL:RVS:2006:AY7577

Raad van State

Datum uitspraak
6 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200509874/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging handhaving recreatiewoning ondanks beroep op gelijkheidsbeginsel

Het college van burgemeester en wethouders van Maarn (thans gemeente Utrechtse Heuvelrug) legde appellanten een last onder dwangsom op om hun recreatiewoning in overeenstemming te brengen met de bouwvergunning van 28 februari 2002. Appellanten maakten bezwaar en stelden beroep in tegen het handhavingsbesluit, waarbij zij onder meer stelden dat het college niet handhavend zou optreden tegen andere vergelijkbare recreatiewoningen, wat in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel.

De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellanten hoger beroep instelden bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college bevoegd was tot handhaving omdat er geen uitzicht was op legalisatie en dat het college reeds een handhavingsbeleid had vastgesteld voor alle recreatiewoningen die in afwijking van de vergunning waren gebouwd. Vertraging in handhaving werd toegelicht door personele capaciteitsproblemen, maar dit maakte het beleid niet onaanvaardbaar.

De Raad van State verwierp het beroep van appellanten en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd een nieuw aangevoerd bezwaar over de hoogte van de dwangsom buiten beschouwing gelaten omdat dit niet eerder was ingebracht. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de handhaving wordt bevestigd.

Uitspraak

200509874/1.
Datum uitspraak: 6 september 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], wonend te [woonplaats], Duitsland,
tegen de uitspraak in zaak no. SBR 2005/667 van de rechtbank Utrecht van 24 oktober 2005 in het geding tussen:
appellanten
en
het college van burgemeester en wethouders van Maarn, thans de gemeente Utrechtse Heuvelrug.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 19 april 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maarn, thans de gemeente Utrechtse Heuvelrug (hierna: het college) appellanten onder oplegging van een dwangsom gelast om de recreatiewoning op het perceel, plaatselijk bekend [locatie], standplaats […], te [plaats] (hierna: het perceel) in overeenstemming met de daarvoor op 28 februari 2002 verleende bouwvergunning te brengen.
Bij besluit van 2 februari 2005 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 oktober 2005, verzonden op 27 oktober 2005, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 1 december 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 december 2005. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 31 januari 2006 heeft het college van antwoord gediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten en van het college. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juli 2006, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. F. Hendriksen, advocaat te 's-Gravenhage, en het college, vertegenwoordigd door Mr. A.A. Geelhoed, advocaat te Utrecht, en mr. H.J. Knibbe, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Niet in geschil is dat gebouwd is in afwijking van de bouwvergunning van 28 februari 2002, zodat het college bevoegd is handhavend op te treden.
2.2.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
2.1.1.    Niet in geschil is dat geen concreet uitzicht op legalisatie bestaat.
2.2.1.    Het geschil beperkt zich in hoger beroep tot de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden, op grond waarvan van het college mag worden gevergd van handhavend optreden af te zien.
2.3.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college van handhavend optreden had behoren af te zien, omdat dit optreden in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Daarbij wijzen appellanten op een dertiental in afwijking van de bouwvergunning gebouwde recreatiewoningen in het recreatiepark "De Stamerhoef", waartegen door het college niet handhavend is opgetreden, en stellen zij dat niet door het formuleren van handhavingsbeleid terzake aannemelijk is gemaakt dat handhavend zal worden opgetreden.
2.3.1.    Dit betoog treft geen doel. In zijn vergadering van 9 juli 2002 heeft het college besloten handhavend op te treden tegen alle in afwijking van de bouwvergunning gebouwde recreatiewoningen op de Stamerhoef. Hiertoe is in opdracht van het college door het bureau Mandaat op 26 juni 2003 een inventarisatie van alle maten en gebruikssituaties van recreatiewoningen op de Stamerhoef vastgesteld. Uit de inventarisatie blijkt dat op het recreatiepark 13 recreatiewoningen in afwijking van de bouwvergunning zijn gebouwd.
Appellanten zijn de eerste eigenaren van een recreatiewoning op de Stamerhoef waartegen door het college handhavend is opgetreden. Gebleken is dat het college inmiddels in twee andere gevallen in de Stamerhoef is overgegaan tot handhavend optreden, betreffende het realiseren van respectievelijk een aanbouw en een kelder zonder bouwvergunning.
Hoewel aan appellanten kan worden toegegeven dat van het college meer voortvarendheid zou mogen worden verwacht, bestaat onvoldoende grond voor de veronderstelling dat het college in de resterende gevallen van handhavend optreden af zal zien. Het college heeft ter zitting toegelicht dat uitvoering van het handhavingsbeleid vanwege het tekort aan personele capaciteit vertraging heeft opgelopen, maar dat hierin na de gemeentelijke herindeling per 1 januari 2006 inmiddels (deels) is voorzien. Het college streeft er naar eind 2006 een geharmoniseerd handhavingsbeleid te hebben. Voorts heeft het college uiteengezet dat bij die inzet prioriteit wordt gegeven aan het afronden van de lopende zaken, waaronder ook de Stamerhoef wordt begrepen. De Afdeling acht dat niet onaanvaardbaar.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank met juistheid tot de conclusie gekomen dat geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel.
2.4.    Eerst in hoger beroep hebben appellanten aangevoerd dat het college niet in redelijkheid de hoogte van de dwangsom heeft kunnen vaststellen op het bedrag dat het heeft bepaald. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom dit betoog niet reeds voor de rechtbank had kunnen worden aangevoerd en appellanten dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen hadden behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.
2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink    w.g. Steinebach-de Wit
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 6 september 2006
328-476.