Uitspraak
200200405/1(AB 2003, 27) blijft het toetsingskader van artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer bij de beoordeling van de ammoniakemissie en -depositie buiten beschouwing, omdat de Iav en de Uav het exclusieve toetsingskader vormen. Verder heeft de Afdeling in genoemde uitspraak geoordeeld dat, aangezien de Iav geen garantie biedt voor een geïntegreerde aanpak en een even hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel, het niet uitgesloten moet worden geacht dat het resultaat van vergunningverlening dat artikel 9, achtste lid, van de Richtlijn vereist, door toepassing van de Iav niet kan worden bereikt. Ten slotte heeft de Afdeling in deze uitspraak geoordeeld dat de in artikel 9, vierde lid, van de Richtlijn opgenomen norm in ieder geval wat betreft de grenzen van de aan de Staat gelaten beoordelingsvrijheid onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is, zodat voor de nationale rechter in zoverre een rechtstreeks beroep kan worden gedaan op dit artikellid.