Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2006:AY8919

Raad van State

Datum uitspraak
21 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200603496/3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 44 Woningwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bouwvergunning politiebureau Schiermonnikoog

Het college van burgemeester en wethouders van Schiermonnikoog verleende op 28 juli 2005 een bouwvergunning aan Politie Fryslân voor de oprichting van een politiebureau op het perceel Voorstreek 28 te Schiermonnikoog. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze vergunning, dat door het college werd afgewezen op 14 oktober 2005. Vervolgens verklaarde de rechtbank Leeuwarden bij uitspraak van 1 mei 2006 het beroep van verzoeker ongegrond.

Verzoeker stelde hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht op 20 augustus 2006 om een voorlopige voorziening. De Voorzitter behandelde dit verzoek op 7 september 2006, waarbij partijen werden gehoord. De Voorzitter oordeelde dat het verzoek een voorlopig karakter heeft en niet bindend is voor de bodemprocedure.

De Voorzitter vond geen aanwijzingen dat de bouwvergunning onrechtmatig was verleend. De welstandsadviezen waarop het college zijn besluit baseerde, vertoonden geen zodanige gebreken dat het college deze niet redelijkerwijs had kunnen volgen. Tevens bood artikel 44 van Pro de Woningwet geen ruimte voor een onafhankelijk onderzoek naar alternatieven, zoals door verzoeker gevraagd. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de bouwvergunning voor het politiebureau wordt afgewezen.

Uitspraak

200603496/3.
Datum uitspraak: 21 september 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van onder meer:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak nos. 05/1782 en 05/1783 van de rechtbank Leeuwarden van 1 mei 2006 in het geding tussen:
verzoeker en [wederpartij]
en
het college van burgemeester en wethouders van Schiermonnikoog.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 28 juli 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schiermonnikoog (hierna: het college) aan de Politie Fryslân bouwvergunning verleend voor het oprichten van een politiebureau op het perceel Voorstreek 28 te Schiermonnikoog.
Bij besluit van 14 oktober 2005 heeft het college, voor zover hier van belang, het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 1 mei 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft onder meer verzoeker bij brief van 7 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 8 mei 2006, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 20 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 23 augustus 2006, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 september 2006, waar verzoeker in persoon en het college, vertegenwoordigd door H. Harmsma en P. Huisman, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
Voorts is als partij gehoord Politie Fryslân, vertegenwoordigd door mr. D.J.G.M. de Boer, gemachtigde.
2.    Overwegingen
2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2.    In hetgeen verzoeker in hoger beroep heeft aangevoerd kan geen aanknopingspunt worden gevonden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven.
Met name is niet gebleken dat de welstandsadviezen van onder meer Hûs en Hiem naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertonen dat het college deze adviezen niet in redelijkheid aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het college de door appellant overgelegde tegenadviezen van Holstein Restauratie Architectuur aan Hûs en Hiem heeft voorgelegd en dat deze laatste in een nader advies gemotiveerd heeft aangegeven daarin geen aanleiding te zien haar eerdere mening te herzien.
Nu overigens gesteld noch gebleken is, dat een wettelijke grond bestond om de bouwvergunning te weigeren, heeft het college naar voorlopig oordeel de bouwvergunning terecht verleend. Het systeem van artikel 44 van Pro de Woningwet bood (en biedt) in het voorliggende geval geen ruimte voor een onafhankelijk onderzoek naar mogelijke alternatieven voor het bouwplan, zoals door verzoeker is verzocht.
2.3.    Het verzoek wordt daarom afgewezen.
2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.
w.g. Polak    w.g. Roelfsema
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 21 september 2006
422.