ECLI:NL:RVS:2006:AY8945

Raad van State

Datum uitspraak
27 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200601176/1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • W. van den Brink
  • G.A.A.M. Boot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 49 Wet op de Ruimtelijke Ordening
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening uitspraak bouwvergunning gemeentehuis Geleen

Verzoekers hebben bij uitspraak van 19 februari 1996 beroep ingesteld tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Geleen inzake vrijstelling en bouwvergunning voor het verbouwen en uitbreiden van het gemeentehuis op het perceel Markt 1 te Geleen. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft dit beroep destijds verworpen.

In 2006 hebben verzoekers een verzoek tot herziening ingediend op grond van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, stellende dat er nieuwe feiten of omstandigheden zijn die tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden. De Afdeling oordeelt dat de aangevoerde feiten en omstandigheden zich na de oorspronkelijke uitspraak hebben voorgedaan en daarom niet in aanmerking komen voor herziening.

Daarnaast is niet aannemelijk gemaakt dat het college destijds niet daadwerkelijk bereid was om aantoonbare schade te vergoeden, zoals eerder overwogen. Het voortduren van procedures over schadevergoeding leidt niet tot een ander oordeel. Het verzoek tot herziening wordt dan ook afgewezen zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de uitspraak wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten voorafgaand aan de oorspronkelijke uitspraak.

Uitspraak

200601176/1.
Datum uitspraak: 27 september 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoekers], wonend te [woonplaats],
om herziening (artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) van de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 1996, in zaak no. R03.93.3444, R03.93.3445 en R03.93.3287.
1.    Procesverloop
Bij uitspraak van 19 februari 1996, in zaak no. R03.93.3444, R03.93.3445 en R03.93.3287, heeft de Afdeling het beroep van verzoekers tegen de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Geleen van 27 april 1993, thans het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (hierna: het college), verworpen. Bij deze besluiten zijn de bezwaren van verzoekers tegen de besluiten van het college van 8 december 1992 tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning voor het verbouwen en uitbreiden van het bestaande gemeentehuis op het perceel Markt 1 te Geleen, respectievelijk voor het bouwen van een losstaande zuidvleugel van het gemeentehuis op genoemd perceel, ongegrond verklaard.
Bij brief van 9 februari 2006 hebben verzoekers de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken van verzoekers ontvangen. Deze zijn aan het college toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 september 2006, waar verzoekers, van wie [gemachtigde] in persoon, vertegenwoordigd door mr. A.J.J. Kreutzkamp, advocaat te Valkenburg aan de Geul, zijn verschenen.
Voorts is als partij gehoord het college, vertegenwoordigd door mr. L.L.F. Wassen, advocaat te Maastricht, en H.A.W. Manders, ambtenaar van de gemeente.
2.    Overwegingen
2.1.    Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Ingevolge het tweede lid, van artikel 8:88 zijn Pro hoofdstuk 6 en de titels 8.2 en 8.3 voor zover nodig van overeenkomstige toepassing.
2.2.    Hetgeen verzoekers hebben aangevoerd betreft feiten en omstandigheden die zich na de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 1996 hebben voorgedaan, zodat daarin, gelet op het bepaalde in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, geen aanleiding kan worden gevonden de uitspraak te herzien.
Voorts hebben verzoekers de juistheid van hun stelling dat het college weliswaar destijds de bereidheid heeft uitgesproken - zoals in voornoemde uitspraak is overwogen - om daadwerkelijke aantoonbare schade, die redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van hen behoort te blijven, door toepassing van artikel 49 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening, dan wel door analoge toepassing van deze bepaling te vergoeden, doch dat het college die bereidheid nimmer daadwerkelijk heeft gehad, niet aannemelijk gemaakt. Het gegeven dat omtrent het verkrijgen van schadevergoeding thans nog altijd wordt geprocedeerd leidt niet tot een ander oordeel.
2.3.    Het verzoek moet dan ook worden afgewezen.
2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink                w.g. Boot
Lid van de enkelvoudige kamer      ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 27 september 2006
202.