ECLI:NL:RVS:2006:AY9397
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering bouwvergunning voor vlonder en beschoeiing te Zaanstad
Het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad weigerde op 16 mei 2003 een bouwvergunning voor het oprichten van een vlonder en een beschoeiing op een perceel in Zaanstad. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard en de rechtbank Haarlem verklaarde het beroep eveneens ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat de vlonder en beschoeiing bouwvergunningsvrij zijn op grond van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb).
De Raad van State oordeelde dat de beschoeiing niet als erf- of perceelafscheiding kan worden beschouwd, omdat het doel ervan het keren van grond is en niet het afscheiden van erf of perceel. Ook de vlonder valt niet onder tuinmeubilair zoals bedoeld in het Bblb. Verder bleek uit de stukken dat de vlonder niet was opgenomen in de bouwvergunning die het college eerder aan een bouwbedrijf had verleend. Privaatrechtelijke aspecten met betrekking tot de koopovereenkomst van appellant zijn niet relevant voor de beoordeling van het bestuursrechtelijke besluit.
Daarnaast is vastgesteld dat de vlonder en beschoeiing buiten de eigen grond van appellant zijn gerealiseerd. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat vergelijkbare steigers zich in andere plangebieden bevinden of zonder vergunning zijn opgericht. De Raad van State verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de weigering van de bouwvergunning bevestigd.