Uitspraak
200502855/1(M&R 2006, 45) heeft de Afdeling dit besluit vernietigd.
200502855/1heeft de Afdeling het besluit van 9 maart 2005 vernietigd. De Afdeling heeft hieraan onder meer de volgende overwegingen ten grondslag gelegd:
200502855/1, is, wat er zij van de toepasselijkheid van de hoorplicht bij de voorbereiding van het primaire besluit, met het horen in bezwaar een eventueel aan het primaire besluit klevend gebrek hersteld. Deze beroepsgrond treft geen doel.
200502855/1is volgens verweerder voor de beoordeling van de voorzienbaarheid in dit geval van belang vanaf welk moment appellante als exploitant/drijver kan worden aangemerkt. Verweerder betoogt dat appellante van 14 november 2000 tot en met 3 januari 2001 als huurder zeggenschap had over de inrichting, zodat zij gedurende deze periode als (tijdelijk) drijver van de inrichting kon worden aangemerkt. Volgens verweerder is echter niet gebleken dat appellante na afloop van de huurovereenkomst exploiterende activiteiten heeft verricht en heeft zij derhalve toen geen zeggenschap gehad over de activiteiten. Eerst na aankoop van de inrichting en overname van de vergunning rondom 4 april 2001 heeft appellante volgens verweerder (weer) zeggenschap verkregen over de inrichting. Zij kan derhalve eerst vanaf april 2001 als drijver van de inrichting worden aangemerkt.
200502855/1heeft de Afdeling overwogen dat de daar vermelde rechtspraak inzake artikel 49 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening erop neerkomt, dat wordt getoetst of er, bezien vanuit de positie van een redelijk denkende en handelende koper/eigenaar, aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie op het perceel in een voor hem negatieve zin zou gaan veranderen. Zo ja, dan moet de slotsom zijn dat betrokkene door niettemin tot aankoop van het perceel over te gaan, het risico van planologische verslechtering heeft aanvaard, waarvan de gevolgen redelijkerwijs voor zijn rekening behoren te blijven.