ECLI:NL:RVS:2006:AZ0805
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- P. Klein
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen uitblijven beslissing Wob-verzoek
Appellanten hebben bij brief van 6 september 2004 het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam verzocht om toezending van stukken die ten grondslag liggen aan een sloopvergunning. Na uitblijven van een beslissing op dit verzoek, stuurden zij op 3 februari 2005 een brief waarin zij het college sommeerden alsnog een besluit te nemen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het uitblijven van een beslissing niet-ontvankelijk, omdat de brief niet als bezwaarschrift kon worden aangemerkt.
In hoger beroep betoogden appellanten dat zij wel degelijk bezwaar hadden gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing. De Raad van State overwoog dat een brief die een verzoeker stuurt na het uitblijven van een besluit in beginsel als bezwaarschrift moet worden aangemerkt, tenzij uit de brief blijkt dat iets anders is bedoeld. In dit geval gebruikte appellanten termen als "herhaald verzoek ex art. 3 WOB Pro" en "sommatie", waarmee zij het college slechts verzochten alsnog een primair besluit te nemen en niet bezwaar maakten tegen het uitblijven van een beslissing.
De Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep bevestigd.