ECLI:NL:RVS:2006:AZ0807

Raad van State

Datum uitspraak
18 oktober 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200606614/2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • M. Vlasblom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 Wet op de Ruimtelijke OrdeningArt. 8:81 Algemene wet bestuursrechtBesluit luchtkwaliteit 2005
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bouwvergunning bedrijfsruimte in agrarisch gebied

Het college van burgemeester en wethouders van Bladel verleende op 29 maart 2005 een vrijstelling en bouwvergunning voor het oprichten van een bedrijfsruimte op een perceel in agrarisch gebied nabij de kern Casteren. Verzoekers maakten bezwaar en stelden beroep in tegen dit besluit. Na diverse procedures bij de rechtbank en het college werd het beroep door de voorzieningenrechter op 29 augustus 2006 ongegrond verklaard.

Verzoekers verzochten vervolgens bij de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen, hangende het hoger beroep. De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak heeft het verzoek behandeld en overwogen dat het bestemmingsplan 'Kom Casteren' niet van kracht is, zodat het perceel valt onder het bestemmingsplan 'Buitengebied gemeente Bladel 1998' met bestemming agrarisch gebied met landschappelijke waarden. Gelet op de ligging tussen percelen met woonbestemming en groendoeleinden is het perceel feitelijk onderdeel van de kern Casteren geworden.

De Voorzitter oordeelde dat er onvoldoende grond is om aan te nemen dat het belang van het behoud van landschappelijke waarden prevaleert boven het bouwplan. Ook vormt de Flora- en faunawet geen belemmering omdat er geen beschermde diersoorten op het perceel aanwezig zijn. De afwijking van de VNG-Brochure 'Bedrijven en milieuzonering' afstandsnorm wordt gemotiveerd en is niet onredelijk. Ten slotte staat het Besluit luchtkwaliteit 2005 de vergunning niet in de weg. Gezien deze overwegingen en belangen is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de bouwvergunning wordt afgewezen.

Uitspraak

200606614/2.
Datum uitspraak: 18 oktober 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoeker A], [verzoeker B] en [verzoeker C], allen wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 06/3114 en 06/3115 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 29 augustus 2006 in het geding tussen:
verzoekers
en
het college van burgemeester en wethouders van Bladel.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 29 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bladel (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een bedrijfsruimte op het perceel, kadastraal bekend gemeente Bladel, sectie […], nr. […], plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).
Bij besluit van 20 september 2005 heeft het college de daartegen door verzoekers gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 december 2005 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter) de daartegen door verzoekers ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 20 september 2005 vernietigd en het besluit van 29 maart 2005 geschorst tot zes weken nadat opnieuw op de bezwaren is beslist.
Bij besluit van 23 mei 2006 heeft het college de bezwaren van verzoekers wederom ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 augustus 2006, verzonden op 30 augustus 2006, voor zover thans van belang, heeft de voorzieningenrechter het daartegen door verzoekers ingestelde beroep ongegrond verklaard
Tegen deze uitspraak hebben verzoekers bij brief van 6 september 2006, bij de Raad van State ingekomen op 7 september 2006, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 6 september 2006, bij de Raad van State ingekomen op 7 september 2006, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Op 29 september 2006 zijn nadere stukken ontvangen van verzoekers. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 oktober 2006, waar verzoekers, in persoon en bijgestaan door mr. C.G.J.M. Termaat, advocaat te Eindhoven, en het college van burgemeester en wethouders van Bladel, vertegenwoordigd door P.A.M. Stappaerts en drs. K.P.J. de Jong, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [vergunninghouder] in persoon.
2.    Overwegingen
2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2.    Hetgeen verzoekers naar voren hebben gebracht geeft geen aanleiding voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat voor het bouwplan geen vrijstelling en bouwvergunning konden worden verleend. Daarbij wordt het navolgende in aanmerking genomen.
2.3.    Het perceel is gesitueerd binnen de grenzen van het plangebied van het bestemmingsplan "Kom Casteren". Voor onderhavig perceel is dat bestemmingsplan niet in werking getreden omdat daaraan goedkeuring is onthouden. Derhalve is voor het perceel het bestemmingsplan "Buitengebied gemeente Bladel 1998" van kracht, waarin het is bestemd tot "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" met de aanduiding "cultuurhistorisch waardevol: akkers". De oostzijde van het perceel is gesitueerd tegen de rand van de kern Casteren, en grenst aan een perceel dat ingevolge het bestemmingsplan "Kom Casteren" een woonbestemming heeft en waarop ook woonbebouwing is gerealiseerd. Aan de westzijde grenst het aan een perceel dat ingevolge dit bestemmingsplan is bestemd voor "Groendoeleinden". Aldus ingeklemd tussen percelen met voormelde bestemmingen, is het perceel feitelijk deel gaan uitmaken van de kern Casteren. Derhalve bestaat voorshands onvoldoende grond voor het oordeel dat het college het belang van het behoud van de landschappelijke waarden van het perceel in redelijkheid had moeten laten prevaleren.
2.4.    De Voorzitter acht op voorhand geen grond aanwezig voor het oordeel dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg staat. Nu op het perceel beplanting noch water aanwezig is, heeft de voorzieningenrechter terecht niet aannemelijk geacht dat zich daar beschermde inheemse diersoorten ophouden. De omstandigheid dat een aantal van deze soorten elders in en nabij de dorpskern zijn aangetroffen biedt onvoldoende houvast voor een ander oordeel.
2.5.    Niet in geschil is dat uitgaande van de VNG-Brochure "Bedrijven en milieuzonering" een afstand tot de woning van [verzoeker A] en [verzoeker B] dient te worden aangehouden van 30 m. Deze brochure heeft een indicatief en globaal karakter. Afwijking van de daarin opgenomen afstanden moet worden gemotiveerd. Ter zitting is vastgesteld dat de afstand van de woning tot de grens met onderhavig perceel 27 meter bedraagt. De aan de woning gebouwde garage noch het vrijstaande bijgebouw kunnen als woning in de zin van de brochure worden aangemerkt. Het college heeft aangegeven dat de bedrijfsactiviteiten grotendeels plaatsvinden in het bedrijfsgebouw waarvan de naar de woning gekeerde gevel bestaat uit een blinde muur. Het buitenterrein en de aan- en afvoerroute van het bedrijf bevinden zich aan de andere zijde van het perceel en worden door het bedrijfsgebouw aan het zicht vanaf het woonperceel van [verzoeker A] en [verzoeker B] onttrokken. Dit in aanmerking genomen is er geen grond voor het oordeel dat het bouwplan wegens de afwijking van voormelde brochure niet vergunbaar zal blijken.
2.6.    Ten slotte valt niet op voorhand in te zien dat het Besluit luchtkwaliteit 2005 aan het verlenen van vrijstelling en bouwvergunning in de weg staat. Blijkens het rapport van SRE Milieudienst regio Eindhoven van 4 mei 2006, heeft de realisering van bouwplan geen overschrijding van de in dat besluit genoemde grenswaarden in de jaren 2007, 2010 en 2015 tot gevolg. Weliswaar hebben verzoekers tegen de wijze waarop tot de bevindingen is gekomen, bezwaren aangevoerd, doch gelet op de afstand van de berekeningen tot de geldende grenswaarden, acht de Voorzitter op voorhand niet aannemelijk dat de normen van voormeld Besluit aan de realisering van het bouwplan in de weg staan.
2.7.    Gelet op het vorenstaande en op de betrokken belangen bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat.
w.g. Vlasblom   w.g. Willems
Voorzitter   ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2006
412