ECLI:NL:RVS:2006:AZ0829
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Vaststelling identiteit en niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen uitblijven beslissing minister
Appellant verzocht de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie om zijn identiteit vast te stellen. Nadat de minister niet op dit verzoek had beslist, maakte appellant bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het uitblijven van een beslissing ongegrond en het bezwaar niet-ontvankelijk.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat er geen aanvraag was als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling stelde vast dat het bezwaar wel degelijk tot een besluit leidde waarop beroep mogelijk is, ook als de primaire beslissing ontbreekt.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en het bezwaar niet-ontvankelijk. Tevens veroordeelde zij de minister tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan appellant. Hiermee werd de minister verplicht alsnog te beslissen over het bezwaar.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep gegrond verklaard; het bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.