AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ongegrond beroep tegen vergunning voor grondwateronttrekking bouwrijp maken woonwijk
Verweerder heeft op 13 januari 2006 een vergunning verleend aan vergunninghoudster voor het onttrekken van grondwater ten behoeve van het bouwrijp maken van een nieuwe woonwijk. Deze vergunning is op 2 februari 2006 ter inzage gelegd. Appellant heeft hiertegen beroep ingesteld bij de Raad van State op 12 maart 2006.
Appellant voerde aan dat bij de vergunningverlening verkeerde kadastrale gegevens zijn gebruikt en dat de bodem verontreinigd is met asbest en bestrijdingsmiddelen, met vrees voor verspreiding door de onttrekking. Tevens werd bezwaar gemaakt tegen mogelijke verontreiniging door lozing van het grondwater.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de meest recente kadastrale gegevens correct zijn weergegeven en dat eventuele latere wijzigingen hieraan niets afdoen. De effecten van de onttrekking op mogelijke verontreinigingen zijn onderzocht en meegenomen in de vergunningverlening, waarbij passende voorschriften zijn verbonden om verspreiding te voorkomen. De lozing van het grondwater valt buiten het bestreden besluit en is elders vergunningplichtig.
Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vergunning voor grondwateronttrekking is ongegrond verklaard.
Uitspraak
200601960/1.
Datum uitspraak: 8 november 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Gelderland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 13 januari 2006 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning verleend als bedoeld in artikel 14 vanPro de Grondwaterwet voor het onttrekken van water aan de bodem ten behoeve van het bouwrijp maken van een nieuwe woonwijk. Dit besluit is op 2 februari 2006 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 12 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 maart 2006.
Bij brief van 31 mei 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 oktober 2006, waar appellant in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door A. Hager-Hiemstra, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.
Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door P. de Wit, als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. In artikel 14, eerste lid, van de Grondwaterwet is bepaald dat het verboden is grondwater te onttrekken of water te infiltreren, tenzij daarvoor door gedeputeerde staten een vergunning is verleend.
Ingevolge het tweede lid van artikel 14 kunnenPro aan de vergunning voorschriften worden verbonden ter bescherming van bij het grondwaterbeheer betrokken belangen.
2.2. Appellant voert aan dat verweerder bij de beoordeling van de aanvraag van verkeerde kadastrale gegevens is uitgegaan.
2.2.1. Verweerder stelt dat op het aanvraagformulier oude kadastrale gegevens zijn gebruikt en dat hij in zijn besluit de meest recente kadastrale gegevens heeft opgenomen. Deze gegevens kunnen, aldus verweerder, echter weer achterhaald zijn ingeval van verkoop van gronden. Gezien het feit dat effecten ook buiten het projectgebied kunnen optreden en er bij de aanvraag werkkaarten aanwezig zijn die een duidelijk beeld van het werkterrein en de grenzen daarvan geven, levert dit geen problemen op volgens verweerder.
2.2.2. De Afdeling is op basis van de stukken van oordeel dat het gebied waar de onttrekking van grondwater plaats zal vinden, voldoende duidelijk is weergegeven in de vergunningaanvraag en het bestreden besluit. Het feit dat er na het verlenen van de vergunning eventuele kadastrale wijzigingen hebben plaatsgevonden, doet hier niet aan af. Verweerder heeft, door het vermelden van de meest recente kadastrale gegevens, de situatie ten tijde van de vergunningverlening op juiste wijze weergegeven. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.
2.3. Appellant voert aan dat de bodem waaraan grondwater zal worden onttrokken, verontreinigd is met asbest en bestrijdingsmiddelen. Appellant vreest voor verspreiding van de verontreinigingen door het onttrekken van grondwater.
2.3.1. Verweerder stelt dat de onttrekking geen invloed heeft op eventuele verontreinigingen in de bodem. Bovendien zijn uitgebreide voorschriften aan de vergunning verbonden ter controle en registratie van eventuele verplaatsingen van verontreinigingen, aldus verweerder.
2.3.2. De Afdeling stelt op basis van de stukken vast dat de effecten van de onttrekking op de mogelijk aanwezige verontreinigingen zijn opgenomen in het onderbouwend rapport bij de vergunningaanvraag en in aanmerking zijn genomen bij de beoordeling van de aanvraag.
De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorschriften die hij aan de vergunning heeft verbonden, toereikend zijn om verplaatsing van verontreinigingen door het onttrekken van grondwater te voorkomen dan wel te beperken. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.
2.4. Appellant betoogt dat door de lozing van het onttrokken grondwater in een nabijgelegen sloot verontreinigingen zich kunnen verplaatsen naar onder andere zijn perceel.
2.4.1. Dienaangaande overweegt de Afdeling dat de lozing van het grondwater geen aspect is dat in het kader van de onderhavige vergunning door verweerder beoordeeld dient te worden. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel. Overigens is ter zitting namens vergunninghoudster verklaard dat er een vergunning als bedoeld in de Wet verontreiniging oppervlaktewateren is verleend voor de lozing van het grondwater. Aan deze vergunning zijn voorschriften verbonden om de kwaliteit van het te lozen water te monitoren.
2.5. Hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd houdt geen verband met de onderhavige vergunning en behoefde derhalve niet door verweerder in de onderhavige procedure beoordeeld te worden.
2.6. Het beroep van appellant is ongegrond.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.