Uitspraak
200502035/1 en 200502104/1, heeft de Afdeling het daartegen door [wederpartij sub 2] en anderen ingestelde hoger beroep gegrond verklaard en de uitspraak met enige verbetering van de gronden waarop zij berust bevestigd.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Zeist verleende op 31 maart 2004 een bouwvergunning en vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor het gedeeltelijk veranderen en vergroten van een supermarkt, het oprichten van acht woningen en een parkeergarage op een perceel in Zeist.
Verzoekers maakten bezwaar tegen deze besluiten en stelden beroep in bij de rechtbank Utrecht, die op 21 januari 2005 het beroep deels gegrond verklaarde. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaarde het hoger beroep van wederpartij sub 2 en anderen gegrond op 14 december 2005 en bevestigde de uitspraak van de rechtbank met enige verbetering van de gronden.
Na herziening van het besluit verklaarde het college op 14 februari 2006 de bezwaren van verzoekers gegrond voor zover het de vrijstelling betrof en handhaafde de bouwvergunning voor de parkeergarage. De rechtbank Utrecht verklaarde de beroepen van wederpartij sub 2 en verzoekers ongegrond op 25 juli 2006.
Verzoekers verzochten vervolgens een voorlopige voorziening bij de Raad van State om de uitbreiding van de supermarkt en de bouw van de parkeergarage te voorkomen. De Voorzitter oordeelde dat het bestemmingsplan de beoogde supermarktuitbreiding niet in de weg staat en dat het college terecht een verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten had verkregen. Het door verzoekers overgelegde rapport bood onvoldoende grond voor een ander oordeel. Daarom wees de Voorzitter het verzoek om voorlopige voorziening af.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de bouwvergunning en vrijstelling wordt afgewezen.