Uitspraak
200508181/1, in het geding tussen appellante en verweerder, waarbij het besluit van 4 augustus 2005 tot vergunningverlening gedeeltelijk is vernietigd.
Raad van State
Het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland stelde op 8 mei 2006 voorschriften aan een vergunning voor een inrichting voor opslag en bewerking van voertuigen en metaalafvalstoffen. Appellante maakte bezwaar tegen voorschrift 6.1.3.B, dat eist dat de bedrijfsriolering die is aangesloten op de vloeistofdichte vloer van de wasplaats vloeistofdicht moet zijn en goedgekeurd volgens CUR/PBV-Aanbeveling 44.
Appellante voerde aan dat deze eis niet redelijk is omdat de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) voor bestaande riolering volstaat met een eindemissiescore van 2, zonder inspectie conform CUR/PBV-Aanbeveling 44. Verweerder stelde dat de eis noodzakelijk is om bodemverontreiniging te voorkomen en dat de wasplaats nieuw is, waardoor de eis redelijk is.
De Raad van State oordeelde dat het voorschrift niet kan worden gebaseerd op de NRB, noch op CUR/PBV-Aanbeveling 44, omdat deze laatste alleen beoordelingsregels bevat en niet als beste beschikbare techniek geldt. Het risico op bodemverontreiniging is niet specifiek of dermate groot dat de vloeistofdichte eis redelijk is. Daarom is het voorschrift in strijd met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer en wordt het vernietigd.
Daarnaast veroordeelde de Raad het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 29 november 2006.
Uitkomst: Het voorschrift dat de bedrijfsriolering vloeistofdicht moet zijn wordt vernietigd wegens strijd met de Wet milieubeheer.