ECLI:NL:RVS:2006:AZ3746

Raad van State

Datum uitspraak
6 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200602209/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • W. van den Brink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid A bestemmingsplan Buitengebied WestArt. 5 lid B I onder c bestemmingsplan Buitengebied West
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering bouwvergunning voor vervallen verbindingsgang tussen zomer- en hoofdwoning

Het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn weigerde op 4 november 2004 aan appellant vrijstelling en bouwvergunning voor het laten vervallen van de verbindingsgang tussen de zomerwoning en hoofdwoning op een perceel. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze besluiten eveneens ongegrond.

Appellant stelde dat zonder de verbindingsgang de zomerwoning en hoofdwoning nog steeds één wooneenheid vormen, maar de rechtbank oordeelde dat het vervallen van de verbindingsgang leidt tot twee zelfstandige woningen, wat in strijd is met het bestemmingsplan dat maximaal één agrarische bedrijfswoning per bedrijf toestaat.

De Raad van State bevestigt dit oordeel en wijst het beroep van appellant af. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt, omdat de situatie anders is dan gevallen waarin van oudsher twee gescheiden woningen op een perceel staan. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de bouwvergunning bevestigd.

Uitspraak

200602209/1.
Datum uitspraak: 6 december 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/3355 van de rechtbank
's-Gravenhage van 27 januari 2006 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 4 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn (hierna: het college) appellant, voor zover van belang, geweigerd vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het laten vervallen van de verbinding tussen de zomerwoning en de hoofdwoning op het perceel [locatie] te Alphen aan den Rijn (hierna: het perceel).
Bij besluit van 6 april 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 januari 2006, verzonden op 7 februari 2006, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 21 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 22 maart 2006, hoger beroep ingesteld.
De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 april 2006. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 18 mei 2006 heeft het college van antwoord gediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 november 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. B.A. Wille, advocaat te Alphen aan den Rijn, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.G. van Poppel, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Bij besluit van 5 juni 2003 is aan appellant bouwvergunning verleend voor het vernieuwen van de zomerwoning en de hoofdwoning, met verbindingsgang daartussen, op het perceel. Het bouwplan, waarvoor vergunning is geweigerd, voorziet in het laten vervallen van de verbindingsgang.
2.2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied West" rust op het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden, intensieve veehouderij -Ah(i)-".
Ingevolge artikel 5, lid A, van de planvoorschriften zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor agrarische bedrijfsvoering ten behoeve van intensieve veehouderijen, met de daarbij behorende bedrijfsgebouwen, agrarische bedrijfswoningen, andere bouwwerken.
Ingevolge artikel 5, lid B I, onder c, van de planvoorschriften mag bij ieder agrarisch bedrijf niet meer dan één agrarische bedrijfswoning worden gebouwd.
2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat bij het wegvallen van de verbindingsgang op het perceel twee afzonderlijke en zelfstandige woningen ontstaan. Hij voert daartoe aan dat de zomerwoning en de hoofdwoning ook zonder verbindingsgang tezamen één wooneenheid vormen en daarvan deel uitmaken.
2.3.1.    Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat zonder verbindingsgang sprake is van twee afzonderlijke en zelfstandige woningen, hetgeen in strijd is met artikel 5, lid B I, onder c, van de planvoorschriften. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college de vrijstelling die nodig is om medewerking te kunnen verlenen aan het gewijzigde bouwplan, gelet op de onderliggende stedenbouwkundige en planologische visie, in redelijkheid kon weigeren. De omstandigheid dat appellant de bereidheid heeft om notarieel te doen vastleggen dat de afzonderlijke woningen zullen worden gebruikt als zouden deze één bouwkundig geheel vormen, maakt dit niet anders.
Verder is de rechtbank op goede gronden tot het oordeel gekomen dat het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen. Op grond van de stukken is komen vast te staan dat de zomerwoning en de hoofdwoning in de vóór de herbouw van oudsher bestaande situatie door middel van een gang met elkaar waren verbonden. De gevallen waarop appellant heeft gewezen betreffen situaties waarin van oudsher op een perceel twee gescheiden woningen staan.
2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink          w.g. Van Heusden
Lid van de enkelvoudige kamer       ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 6 december 2006
163-530.