ECLI:NL:RVS:2006:AZ4057
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- M.G.J. Parkins de Vin
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging intrekking verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering minister
De zaak betreft het hoger beroep van de minister tegen uitspraken van de rechtbank die de intrekking van verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd aan een man, een vrouw en hun minderjarige kind vernietigden. De minister had betoogd dat de vreemdelingen geen gegronde vrees voor vervolging vanwege hun etnische afkomst hadden en dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met specifieke persoonlijke omstandigheden.
De rechtbank had echter geoordeeld dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom de subjectieve vrees van de vreemdelingen voor vervolging door de Taliban niet werd ondersteund door objectieve elementen. Hierbij werd gewezen op het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken en een rapport van Human Rights Watch, waaruit bleek dat de Taliban etnische vervolging pleegden, met name tegen de Hazara bevolkingsgroep waartoe de vreemdelingen behoren.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verwierp de grieven van de minister. De Raad oordeelde dat de minister terecht onvoldoende motivering had gegeven voor zijn standpunt en dat de gebeurtenissen in Mazar-i-Sharif en Taloqan relevant waren voor de beoordeling van de vluchtelingenstatus. Tevens veroordeelde de Raad de minister tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdelingen.
Hiermee blijft de intrekking van de verblijfsvergunningen ongedaan en wordt de bescherming van de vreemdelingen gehandhaafd op grond van hun gegronde vrees voor vervolging.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de vernietiging van de intrekking van de verblijfsvergunningen en veroordeelt de minister tot proceskostenvergoeding.