ECLI:NL:RVS:2006:AZ4448

Raad van State

Datum uitspraak
24 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200605689/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.W.L. Loeb
  • B. van Wagtendonk
  • R. van der Spoel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vw 2000Art. 8:54 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake weigering verblijfsvergunning wegens gevaar voor de openbare orde

De zaak betreft een hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter die het beroep van de vreemdeling tegen de weigering van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gegrond had verklaard. Aan het oorspronkelijke besluit lag ten grondslag dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormde omdat hij een transactie ter voorkoming van strafvervolging had aanvaard, zoals bedoeld in paragraaf C2/9.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000.

De vreemdeling stelde dat het standpunt dat hij een gevaar voor de openbare orde vormde niet langer werd gehandhaafd, maar de Raad van State oordeelde dat deze mededeling niet automatisch betekent dat het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust, kunnen worden herzien. Het beleid bij toepassing van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vreemdelingenwet 2000 maakt onderscheid tussen veroordelingen en transacties, waarbij ook een transactie als gevaar kan worden aangemerkt.

De Raad van State constateerde dat de uitspraak van de voorzieningenrechter in strijd was met artikel 8:72 van Pro de Algemene wet bestuursrecht omdat het bestreden besluit niet vernietigd was. Daarom werd de uitspraak vernietigd en het hoger beroep van de minister ongegrond verklaard. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de voorzieningenrechter vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.

Uitspraak

200605689/1.
Datum uitspraak: 24 november 2006
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 06/4790 en 06/4792 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 4 juli 2006 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 8 oktober 2003 heeft appellant (hierna: de minister) een verzoek van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om terug te komen van het besluit van 18 december 2002, waarbij een weigering hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen in bezwaar is gehandhaafd, afgewezen.
Bij besluit van 19 januari 2006 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 4 juli 2006, verzonden op 5 juli 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 2 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 14 augustus 2006 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
I. Overwegingen
2.1. Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt.
II. De voorzieningenrechter heeft het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard, zonder het bij de rechtbank bestreden besluit te vernietigen. Dit is in strijd met artikel 8:72, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Reeds om die reden kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven.
2.2. Voorts dient, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld uitspraak van 8 november 2004 in zaak no. 200404516/1;
JV 2005/20), bij een beroep tegen een afwijzing van een verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar besluit, als dat van
18 december 2002, ter bepaling van de omvang van de te verrichten toetsing direct te worden getreden in de vraag of aan dat verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd.
III. Aan het besluit van 18 december 2002 is ten grondslag gelegd dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt, als bedoeld in
paragraaf C2/9.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), omdat hij een transactie ter voorkoming van strafvervolging heeft aanvaard. Aan het verzoek om van dit besluit terug te komen heeft de vreemdeling ten grondslag gelegd dat de gemachtigde van de minister de rechtbank
's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Breda, ter zitting op 2 juni 2003 heeft medegedeeld dat het standpunt dat hij een gevaar voor de openbare orde vormt niet wordt gehandhaafd.
IV. In de desbetreffende procedure stond een besluit van
12 augustus 2002, waarbij een weigering hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen in bezwaar is gehandhaafd, ter toets.
Aan dat besluit ligt ten grondslag dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde, als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), vormt. De mededeling ter zitting dat dit standpunt niet wordt gehandhaafd betekent niet zonder meer dat de vreemdeling door de minister evenmin als gevaar voor de openbare orde in de zin van paragraaf C2/9.3 van de Vc 2000 wordt aangemerkt. Anders dan volgens het bij de toepassing van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000 gevoerde beleid, vermeld in paragraaf C1/5.13 van de Vc 2000, volgens hetwelk alleen veroordelingen wegens misdrijf worden tegengeworpen, wordt een gevaar voor de openbare orde, als bedoeld in paragraaf C2/9.3 van de Vc 2000, ook aanwezig geacht, indien
- zoals in dit geval - een transactie ter voorkoming van strafvervolging heeft plaatsgevonden. Op voorhand is dan ook uitgesloten dat de mededeling ter zitting aan het besluit van 18 december 2002 en de overwegingen waarop dat rust kan afdoen, zodat geen sprake is van een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in vorenbedoelde zin.
2.3. De conclusie is dat het hoger beroep kennelijk gegrond is.
De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De aangevoerde grieven behoeven geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op het vorenoverwogene, het beroep ongegrond verklaren.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
V. verklaart het hoger beroep gegrond;
VI. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 4 juli 2006 in zaak no. AWB 06/4790;
VII. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en
mr. B. van Wagtendonk en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr O. van Loon, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb
Voorzitter w.g. Van Loon
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 november 2006
284-418.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak