AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning op grond van vreemdelingenwet
De minister wees op 8 april 2005 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling ging hiertegen in beroep bij de rechtbank 's-Gravenhage, die op 21 april 2006 het besluit vernietigde en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat noch uit het ambtsbericht van januari 2005, noch uit dat van augustus 2005 blijkt dat personen met de kenmerken van de vreemdeling een verhoogde kans lopen om bij terugkeer in een ontheemdenkamp te belanden. De vreemdeling had dit ook niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat de vreemdeling vanwege haar Mandingo-behoren en de WBV 2004/43-regeling haar vrees aannemelijk had gemaakt.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er was geen grond voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 7 december 2006.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt gehandhaafd.
Uitspraak
200603778/1.
Datum uitspraak: 7 december 2006
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/20170 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 21 april 2006 in het geding tussen:
[vreemdeling],
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 8 april 2005 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 21 april 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 19 mei 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 2 juni 2006 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Hetgeen in de eerste grief is aangevoerd, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), met dat oordeel volstaan.
2.2. De tweede en derde grief klagen dat de rechtbank, door te overwegen dat, uitgaande van de door de vreemdeling gestelde kenmerken, tegen de achtergrond van het door de vreemdeling ingeroepen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Liberia van januari 2005 aannemelijk is dat haar vrees in Liberia in een ontheemdenkamp terecht te komen en slachtoffer te worden van seksueel geweld gegrond is, met name nu zij behoort tot de bevolkingsgroep Mandingo, welke groep volgens het WBV 2004/43 wordt aangemerkt als een groep die verhoogde aandacht vraagt, heeft miskend dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in een dergelijk kamp terecht zal komen.
2.3. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 vanPro die wet, afgewezen, indien de desbetreffende vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.
Het is derhalve aan de desbetreffende vreemdeling om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover de minister aannemelijk te maken.
2.3.1. Uit voormeld ambtsbericht, noch uit het door de vreemdeling in beroep ingeroepen ambtsbericht inzake Liberia van augustus 2005, valt af te leiden dat personen met de door de vreemdeling gestelde kenmerken een verhoogde kans lopen om bij terugkeer in een ontheemdenkamp terecht te komen. De vreemdeling heeft deze stelling evenmin anderszins aannemelijk gemaakt. Voor zover de rechtbank heeft bedoeld dat, omdat in het WBV 2004/43, voor zover thans van belang, ten aanzien van de bevolkingsgroep Mandingo is vermeld dat personen die hiertoe behoren in aanmerking kunnen komen voor verlening van een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, indien slechts in geringe mate blijk wordt gegeven van op de persoon gerichte daden van verdragsrechtelijke vervolging, de vreemdeling reeds vanwege de door haar gestelde kenmerken in samenhang bezien met de omstandigheid dat zij behoort tot de bevolkingsgroep Mandingo haar vrees aannemelijk heeft gemaakt, vindt deze overweging geen grond in voormelde ambtsberichten. De grieven slagen.
2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 8 april 2005 alsnog ongegrond verklaren. Zij overweegt hiertoe als volgt.
2.5. Het betoog van de vreemdeling dat de minister bij de beoordeling van haar aanvraag ten onrechte de door haar gestelde in Ivoorkust ondervonden problemen niet heeft betrokken faalt, nu niet in geschil is dat de vreemdeling de Liberiaanse nationaliteit heeft.
Nu de vreemdeling geen specifieke, haar persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden terzake aannemelijk heeft gemaakt, bestaat evenmin grond voor het oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing en deze dan ook niet in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
Hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd in verband met haar beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c van de Vw 2000, slaagt niet, reeds omdat dit geen individuele omstandigheden zijn die verband houden met de redenen van vertrek uit Liberia.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 21 april 2006 in zaak no. AWB 05/20170;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Scheerhout, ambtenaar van Staat.