ECLI:NL:RVS:2006:AZ4627
Raad van State
- Hoger beroep
- T.M.A. Claessens
- R. van der Spoel
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ingangsdatum verblijfsvergunning bij besluitmoratorium volgens Vreemdelingenwet 2000
De zaak betreft een hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage die het besluit tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan een vreemdeling vernietigde. De kern van het geschil is de juiste interpretatie van artikel 44, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) zoals dat gold tot 1 september 2004, met betrekking tot de ingangsdatum van een vergunning bij toepassing van een besluitmoratorium.
De vreemdeling had zijn aanvraag op 24 februari 2003 ingediend, vóór de inwerkingtreding van de wijzigingswet van 24 juni 2004. De minister verleende de vergunning met ingang van 24 februari 2004, één jaar na ontvangst van de aanvraag, conform het dwingende karakter van de wet. De rechtbank had echter geoordeeld dat de minister de ingangsdatum eerder had kunnen vaststellen en dat het besluit onvoldoende gemotiveerd was.
De Raad van State stelt dat de term 'uiterlijk' in artikel 44, derde lid (oud), Vw 2000 geen beleidsruimte biedt voor een eerdere ingangsdatum dan één jaar na ontvangst van de aanvraag. Dit betekent dat de minister gehouden is de ingangsdatum op dat moment te stellen. Daarnaast faalt het beroep van de vreemdeling op het gelijkheidsbeginsel omdat dit niet kan leiden tot een ingangsdatum die in strijd is met de wet.
Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De minister heeft de ingangsdatum van de verblijfsvergunning terecht vastgesteld op één jaar na ontvangst van de aanvraag, conform artikel 44 lid 3 Vreemdelingenwet 2000.