Het college van burgemeester en wethouders van Soest verleende op 13 april 2005 een vrijstelling en bouwvergunning aan Orange Nederland N.V. voor het oprichten van een antennemast op een perceel te Soest. Appellanten maakten bezwaar tegen dit besluit en stelden dat onvoldoende rekening was gehouden met gezondheidsrisico's door straling.
De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van appellanten ongegrond. Appellanten gingen in hoger beroep bij de Raad van State en verzochten tevens om een voorlopige voorziening. De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak behandelde de zaak op 30 november 2006.
De Raad van State oordeelde dat het college zich terecht had gebaseerd op het deskundige advies van de Gezondheidsraad uit 2004, waarin geen oorzakelijk verband werd vastgesteld tussen elektromagnetische velden en gezondheidsschade. De door appellanten overgelegde stukken boden onvoldoende bewijs om dit advies te weerleggen.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep en verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen en de bouwvergunning blijft van kracht.
Uitspraak
200605836/1 en 200605836/2.
Datum uitspraak: 14 december 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 vanPro die wet, op het hoger beroep van:
[appellanten], allen wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak no. SBR 05/3262 van de rechtbank Utrecht van 14 juni 2006 in het geding tussen:
appellanten
en
het college van burgemeester en wethouders van Soest.
1. Procesverloop
Bij besluit van 13 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Soest (hierna: het college) aan de naamloze vennootschap "Orange Nederland N.V." (hierna: vergunninghoudster) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een antennemast ten behoeve van mobiele telefonie op het perceel, kadastraal bekend gemeente Soest, sectie C nr. 3597, plaatselijk bekend hoek Birkstraat/Blaekweg ongenummerd.
Bij besluit van 21 september 2005 heeft het college het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 14 juni 2006, verzonden op 27 juni 2006, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door appellanten daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 8 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 5 september 2006. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 november 2006, hebben appellanten de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij brief van 2 oktober 2006 heeft het college van antwoord gediend.
Bij brief van 25 oktober 2006 heeft vergunninghoudster een reactie ingediend.
De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 november 2006, waar [gemachtigde], als appellant, in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. K.C.P. Haagen, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, als belanghebbende, vertegenwoordigd door U. Dannijs, gemachtigde, daar gehoord.
2. Overwegingen
2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.2. Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning heeft kunnen overgaan. Zij stellen daartoe dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de gezondheidsrisico's door straling bij langdurig verblijf in de nabijheid van de antenne.
2.3. Dit betoog faalt. Het college heeft zich ten aanzien van mogelijke gezondheidsrisico's als gevolg van het bestreden besluit onder meer gebaseerd op het advies van de Gezondheidsraad van 28 juni 2004. Uit voornoemd advies blijkt dat op basis van het TNO rapport van 30 september 2003 niet kan worden vastgesteld of er een oorzakelijk verband bestaat tussen de blootstelling aan elektromagnetische velden enerzijds en vermindering van welbevinden of schade voor de gezondheid anderzijds. Vast staat dat de Gezondheidsraad een ter zake deskundige instantie is. Gesteld noch gebleken is dat het advies van de Gezondheidsraad op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en/of inhoudelijk onjuist is, zodat het college dit niet aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen leggen. De van de zijde van appellanten overgelegde stukken bevatten niet het bewijs van de juistheid van hun stelling en brengen derhalve niet met zich dat het college zijn besluitvorming niet langer op genoemd advies van de Gezondheidsraad heeft mogen baseren. De Voorzitter verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 15 maart 2006, inzake nr. 200505249/1, BR 2006, 628. Gelet hierop kan niet staande worden gehouden dat het college in de door appellanten geuite vrees voor gezondheidsrisico's aanleiding had moeten vinden de gevraagde vrijstelling te weigeren. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat.